foto In het schrijfblok komt telkens een nieuw (reis)verhaal over de belevenissen van bezoekers van de site. Ook jij kunt jouw verhaal insturen voor publicatie.

John Muir Trail - het genot van wildkamperen in de overtreffende trap

Het stond de laatste jaren op mijn verlanglijstje: een trektocht in de USA. De Pacific Crest Trail behoort tot de zoete dromen die waarschijnlijk dromen zullen blijven, maar per toeval kreeg ik vorig jaar de Cicerone-gids van de John Muir Trail in handen. Het was meteen duidelijk: dat moest hem worden! En toen ik een paar maanden later opeens een retourvlucht naar San Francisco voor € 600 kon boeken, heb ik meteen de knoop doorgehakt. Op 4 juli zou ik beginnen aan mijn JMT.

Foto: Marla Beringer
Sapphire Lake met Mount Huxley

Waar en wat?

De John Muir Trail is een wandelroute van 211 mijl ofwel 340 kilometer door het hoogste en ruigste deel van de Sierra Nevada (Californië). Qua lengte dus goed te doen in een zomervakantie. De JMT loopt van Yosemite Valley in het noorden naar Mount Whitney in het zuiden (of omgekeerd natuurlijk). Behalve de eerste 14 kilometer ligt de route overal boven 2400 meter. Er zijn onderweg 6 passen van circa 3400 meter of hoger en het officiële eindpunt is de top van de Mount Whitney van 4421 meter, het hoogste punt van de VS buiten Alaska. Het aller-leukste van de Sierra Nevada is wel dat het daar zomers bijna altijd mooi weer is! Droog en zonnig, dag na dag een knalblauwe lucht en ’s nachts lekker fris. Wel is de Sierra Nevada berucht om de vele muskieten, vooral in juli.

De tocht is genoemd Schotse immigrant John Muir (1838-1914), die zich eenmaal in USA verdiepte in de prachtige natuur van met name de Sierra Nevada en zich daarna sterk maakte voor het conserveren ervan. Dat Yosemite Valley een beschermde status kreeg was Muirs eerste mijlpaal als voorvechter van de natuurbescherming en hiermee kwam de beweging op gang voor de vorming van Nationale Parken in de Verenigde staten. Met deze korte beschrijving doe ik de man zwaar te kort, maar dat moet maar even …

De JMT is geen trektocht zoals ik die ken in Europa (of de Himalaya, de Andes of Nieuw-Zeeland). Er zijn geen (bemande) hutten onderweg en geen dorpjes met lekker stokbrood en kaas of een restaurantje. Wel zijn er op de hele route vier locaties waar je je zgn. ‘resupply’-pakketjes heen kunt sturen en waar je ook beperkt wat kunt kopen en soms ook een maaltijd kunt krijgen. Die plekken zijn wel ongelijk verdeeld, want na het laatste foerageerpunt zit je net op de helft en moet je dus daarvandaan nogal wat eten meesjouwen!

Foto: Marla Beringer
Lyell River

Voor het eerst in berenland

Het was mijn eerste vakantie in berenland. Het gaat in de Sierra Nevada om de Zwarte Beer (Ursus Americanus; Grizzlies zijn in deze streek al lang geleden uitgeroeid), in de praktijk door de UV-stralen van de Sierra Nevada vaak bruin (of zelfs bijna blond, is mij verteld). De beesten zijn van zichzelf behoorlijk schuw en afgezien van een onbedoelde foute move bij het tegenkomen van een moederbeer met kleintjes, is het vooral de honger van de beer die maakt dat je hem kunt tegenkomen en misschien moet uitkijken. Beren hebben vanaf de 50-er jaren, toen het toerisme naar de Nationale Parken (Yosemite, Yellowstone) gewoon geleerd dat er bij mensen eten te halen is en nogal makkelijk ook. Leer ze dat maar eens af! Daarbij schijnt menseneten na eerste kennismaking dezelfde verslavingskracht te hebben als heroïne voor mensen: één keer een Fruitella en ze zijn ‘hooked’ voor het leven. Beren worden door toedoen van de mens ook steeds verder beperkt in hun habitat, waardoor ze tegenwoordig op grotere hoogtes hun heil zoeken dan voorheen.

Kortom, ik moest er een iets andere kamproutine op na gaan houden dan ik op trektochten gewend was,. Bij het afhalen van mijn Wilderness Permit werd ik daarover zelfs ‘overhoord’ : “wat doe je als …?”. Ik kende gelukkig de instructies en ik was geslaagd! En ik gedroeg me ernaar. Meteen de tweede dag al kwam ik een beer op mijn pad tegen. Gelukkig had ik geen dichtgeknepen keel van angst, waar ik vooraf bang voor was, en ik deed wat me geïnstrueerd was: schreeuwen. Mijn ongastvrije verwensing (“Oprotten! En snel!”) maakte dat het schuwe beest snel het hazenpad koos. Arme beer …
Maar afgezien van die ene confrontatie onderweg was de belangrijkste zorg om mijn kampeerplek veilig te houden en dat wil zeggen: vrij van eten en vrij van geuren daarvan. Anders zouden beren in mijn tent naar eten komen zoeken. Dus heb ik volgens de instructie steeds alle eten (maar ook toiletartikelen!) in de voor iedereen verplichte berentrommel opgeborgen en die elke avond een eind van mijn tent weggezet. Ook heb ik mijn eten steeds op afstand van mijn slaapplek bereid en opgegeten, om geen beren-aantrekkende etensgeuren bij mijn tent te hebben.

Ik vond het wel een hoop gedoe. Zeker in het begin ging ik op alles letten (oeps, ik heb eten op mijn shirt geknoeid… gauw proberen de geur met water weg te wassen… oh shit, ik heb de kauwgom in mijn broek annex hoofdkussen laten zitten … zouden beren dat ruiken?). Gelukkig ging die overdreven bezorgdheid langzaam uit mijn systeem. Soms dacht ik zelfs dat het een tikkie overdreven was. Maar de routine heb ik volgehouden en niet voor niets. De sporen van beren zijn overal op de bomen te zien (en soms wat pootafdrukken op een modderig stuk pad) en ik heb zelf ook meegemaakt dat een beer echt kwam zoeken naar eten en rond mijn tent snuffelde. En dan is het maar goed dat de noten en fruitreepjes ook echt ver weg in de berentrommel zitten.

Foto: Marla Beringer
Afdaling van Glenn Pass

Goed te doen

Zwaar is de tocht niet. Natuurlijk moet je getraind zijn in meerdaagse tochten met volle bepakking, maar binnen dat spectrum is het een relatief makkelijke tocht. Zonder mijn eigen prestatie omlaag te halen: ik zag ook twee gezinnen met jonge kinderen de tocht doen en het is een populair altijd-al-willen-doen-uitje voor (fitte) 60-plussers. En op de heenweg vanaf Merced naar mijn startpunt in Yosemite Valley zat ik in de bus naast een 75-jarige Japanse die het in haar uppie ging doen. Ik bedoel maar…

Ik heb ook wel objectief vergelijkingsmateriaal om te kunnen stellen dat het met de zwaarte wel meevalt. De gemiddelde dagelijkse hoogteverschillen liggen wat lager dan op bijvoorbeeld de GR11, maar daar staat tegenover dat er meer kilometers te maken zijn.
Ook het terrein is niet al te moeilijk. Als er al steile stukken zijn, bijvoorbeeld bij een pas, worden de hoogtemeters via geleidelijke zigzags overwonnen. Alleen in het zuidelijke deel van de JMT is het ruiger en komen er ook vaker echte rotspaden voor die ik ken uit de Picos de Europa en de Pyreneeën, maar zelfs daar is klauteren nergens aan de orde (die twee vingers kun je rustig in je neus laten). Ook de passages waar een onverhoopte struikelpartij fataal kan zijn, waren echt op de vingers van één hand te tellen.

Je hoeft op de JMT ook geen navigatie-ster te zijn: er is weliswaar geen markering, maar een blind paard kan de weg vinden. Er is maar één pad met heel weinig zijpaden en áls ze er al zijn, staan die duidelijk aangegeven. Een kaart gebruik je hooguit om je vorderingen te checken of je overnachtingsplekjes te plannen en de GPS kun je hoe dan ook thuis laten.
Wat qua zwaarteaspecten wel kan doortikken is de hitte overdag, zeker als je het net als ik niet kan opbrengen om voor 7 uur op pad te gaan. Ook een overdadige belangstelling van vliegen (vooral in de lagergelegen bosrijke gebieden) voor het onweerstaanbare zoute plakzweet op mijn benen en mijn gezicht, vond ik wel eens gekmakend. En wat ik zelf in de noordelijke helft van de JMT echt verschrikkelijk vond waren de kilometerslange paden met mul zand … irritant! Gemakshalve gaf ik daarvan trouwens de schuld aan de paardenkaravanen die ik soms tegenkwam en die voor georganiseerde tripjes werden ingezet om ook de minder sportieve medemens een authentieke JMT-ervaring te schenken.

Al met al is de John Muir Trail voor een geoefende meerdaagse wandelaar een zeer toegankelijke route. En gelukkig maar! Om te genieten van adembenemende landschappen wil je tenslotte ook niet altijd vreselijke offers hoeven brengen (tenzij je van huis uit calvinist bent).

Foto: Marla Beringer
Packstock (lastpaarden)

Doorzetten in de ‘wildernis’

Het enige wat qua zwaarte misschien kan doortikken is het langdurig ontbreken van enige beschaving onderweg in de tweede, zuidelijke helft. Geldt voor de JMT als geheel al dat je alles moet meesjouwen, na de Muir Trail Ranch moet je ook voor pakweg 10 dagen eten meesjouwen. Omdat ik mijn basisrugzakgewicht dit jaar behoorlijk had teruggeschroefd (zonder eten en water, maar inclusief berentrommel ruim 10 kilo) viel ook dat voor mij wel goed te doen. Al liep ik de eerste dag na die laatste foeragering wel te steunen, omdat ik met mijn lichte rugzak in de eerste helft van de JMT wel een beetje verwend was geraakt.

Vanaf de Muir Trail Ranch kun je je ook niet meer gemakkelijk bedenken, want daarna zijn de uitwegmogelijkheden vanaf de JMT beperkt en die kosten meestal ook twee loopdagen via een bergpas, voor je in de bewoonde wereld bent. Lastig als je een blessure oploopt, hoewel ook dat weer relatief is als je aan Joe Simpson denkt. Vergeleken met een gemiddelde trektocht in Europa vergt het tweede deel dus vooral wat doorzettingsvermogen. Toen ik op 29 juli weer in de bewoonde wereld kwam had ik 13 dagen geen douche gezien of telefoonbereik gehad. Niet dat dat erg is (niets leuker dan baden in een riviertje), maar dat is dus wel een verschil met de Alpen of de Pyreneeën. Daar moet je op zijn ingesteld.

Het gevoel van langdurig totale wildernis valt in de praktijk trouwens ook wel mee. Doordat je onderweg regelmatig andere wandelaars ziet en ook zo nu en dan ’s nachts wel een paar mensen in de buurt weet (maar gelukkig niet ziet of hoort) , heb je helemaal niet het idee dat je geïsoleerd “into the wild” bent.

Foto: Marla Beringer
Paintbrush

Hoe mooi het was en hoe anders dan in Europa

De foto’s zeggen genoeg (zie ook de virtuele expo op deze site): het is een aaneenschakeling van ansichtkaarten. Als ik achteraf mijn foto’s doorkijk is het bijna saai, zoveel moois achter elkaar. Ik was alleen niet direct overtuigd dat de JMT terecht volgens National Geopgraphic tot de tien mooiste wandelingen van de wereld hoort. Ik was in Yosemite Valley gestart en ondanks de imposante granieten formaties in Yosemite National Park (El Capitan, Half Dome), dacht ik eerst nog vaak “mooi hoor, maar geef mij maar de Pyreneeën maar”. Dat veranderde langzaam, zeker na de Donahue Pass, de eerste in de rij. Het gaat namelijk ook maar door en door met die schoonheid en het wordt alleen maar stiller, prachtiger en ruiger.

Wat eigenlijk het meest indrukwekkende is, is dat het echt langdurig mooie wildernis is. Totaal ongerept. Buiten het pad zelf en de sporadische bordjes naar zijpaden, en een paar kampvuurringen op gangbare kampeerplekken, is er geen spoor van menselijke aanwezigheid te zien. Dat maakt dat het zo bijzonder is. Dat kennen we in Europa eigenlijk niet, althans niet in het westen.

Ik pretendeer niet heel Europa goed te kennen, maar zeker in de Alpen en de Pyreneeën zie tot op grote hoogte koeien en schapen lopen, zie je bemande berghutten of kleine herdershutjes, zijn er nog allerlei andere paden, voorzien van keurige bordjes, steenmannetjes of klodders verf, zie je kruizen en antennes op bergtoppen en (het allerergste) moet je soms urenlang aan kijken tegen kaalgeslagen bergflanken waar bomen moesten wijken voor skigenot, en naar alle machinerie die erbij hoort.

Zo niet langs de John Muir Trail en waarschijnlijk ook niet elders in de Amerikaanse beschermde natuurgebieden. Buiten een paar bruggetjes over anders lastig over te steken riviertjes, zijn er langs de JMT eigenlijk geen bouwkundige menselijke ingrepen zichtbaar. Op de John Muir Trail staat er welgeteld één stenen schuilhut (op de Muir Pass) en ik heb één kleine antenne zien staan (bij de Rae Lakes, waarschijnlijk voor de Ranger voor noodgevallen). Als ik mijn eigen kleding en materiaal even buiten beschouwing laat, zou ik er ook duizenden jaren geleden hebben kunnen lopen.

Bijna dan … want elke avond en nacht viel mijn gekoesterde idylle weer in gruzelementen. Als ik niet het geluk had naast een lawaaierig riviertje te staan, kwam de ontluistering via de oren binnen: vliegtuigen, heel dichtbij. Waarom was me dat bij andere trektochten elders in de wereld nooit opgevallen, want vliegtuigen zijn er toch overal ? Toch jammer van mijn idylle dat ik in totale wildernis vanwege die vliegtuigen toch nog oordoppen moest gebruiken!

Foto: Marla Beringer
Mule Deer

Omgewaaide bomen – de storm van 30 november 2011

In maart kreeg ik een waarschuwing van het kantoor van de Wilderness Permits dat door een storm van ongekende kracht op 30 november mogelijk tienduizenden bomen waren omgewaaid en dat een deel van de John Muir Trail daardoor waarschijnlijk niet begaanbaar was. Volgens de windmeterregistraties had het in ieder geval 2 uur lang permanent 200 km/uur gewaaid en zaten er windvlagen bij van 240 km per uur. De omvang van de schade werd pas in het voorjaar goed zichtbaar toen de sneeuw smolt.
De eerste inventarisaties die in kaart waren gebracht lieten zien dat er op ongeveer een derde van de John Muir Trail de begaanbaarheid te wensen over zou laten. Op sommige plekken lagen de omgewaaide bomen ruim 3 meter hoog op het pad en wandelaars moesten rekening houden met sterk verzwaarde omstandigheden en ook voor extra dagen eten meenemen. Ook zou een belangrijk foerageerpunt, Red’s Meadow, mogelijk gesloten blijven. Ik zag mijn nobele plan in duigen vallen en ook nader mailcontact met de Inyo Forest Service gaf daar ook aanleiding toe. Ik had dus al een plan B gesmeed, als alternatief voor de JMT, maar in de loop van maand mei kreeg ik weer hoop. Overal waar ze aan het werk konden, zodra de sneeuw gesmolten was, gingen de zgn. Trail Crews en vele vrijwilligers aan het werk met het vrijmaken van de wandelpaden. De zaagwerkzaamheden vorderden gestaag en gretig volgde ik de wekelijkse update over de vorderingen. Twee weken voor vertrek zag het er zo goed uit dat ik in ieder geval de knoop doorhakte om voor de John Muir Trail te gaan en plan B te laten schieten. Ondanks de goede berichten werd zelfs nog een week voor ik op pad zou gaan, geadviseerd om voor de JMT tussen Thousand Islands Lake en Red’s Meadow een omleiding via de lager en noordelijker gelegen reeds vrijgemaakte Pacific Crest Trail te volgen.

Foto: Marla Beringer
Omgewaaide boom

Wat viel het allemaal mee! Op het moment dat ik op het bewuste punt aan kwam bleek de nog recent geadviseerde PCT-detour niet meer nodig. Wel kwam met elke kilometer verder naar het zuiden in beeld wat er allemaal was omgewaaid. Enorme bomen met een wortelpakket van soms een gemiddelde woonkamer lagen gewoon om. En vele kleinere bomen natuurlijk ook. De ravage was het ergst in het gebied rondom Red’s Meadow, waar (zo las ik net) ruim 3100 omgewaaide bomen op het pad of op de toegangsweg zijn doorgezaagd of verplaatst. Het zag er ook echt treurig uit, net oorlogsgebied. En dan te bedenken dat dit gebied direct aansluit bij het gebied van de zgn. Rainbow Fire (een enorme bosbrand in 1992 na een blikseminslag). Tja, dat was geen gezellig landschapje zo: de bomen die in ‘92 de brand wel hadden overleefd, hebben op 30 november alsnog het loodje moeten leggen. Veel groens stond er niet meer overeind. Het leek wel een slagveld!

In mindere en afnemende mate waren de gevolgen van de storm nog in het gehele verdere deel van de John Muir Trail te zien. Maar dankzij de enorme inspanningen van de ‘zagers’ heb ik nagenoeg overal gewoon door kunnen lopen. Hulde aan deze harde werkers voor wat er in korte tijd aan werk was verzet! Alleen op één dag, op het stuk tussen de Red Cones en de Silver Pass op weg naar Squaw Lake, heb ik echt last gehad van bomen die in de weg lagen en heb ik wat moeten klauteren of omlopen, maar het mocht gezien de eerste voorspellingen natuurlijk geen naam hebben.

Foto: Marla Beringer
Weggezaagd van het pad

De feestelijke afsluiting van mijn John Muir Trail

Met mijn tempo en gebrek aan ambitie (waarover hieronder meer) zag het er naar uit dat het halen van Mount Whitney voor mij teveel haastwerk zou worden. In de tweede helft van de tocht had ik daarom zoetjesaan het plan opgevat om zondag de 29e na de Glenn Pass via de Kearsarge Pass weer terug te keren naar de bewoonde wereld. Dan zou ik er 180 van de 211 mijl op hebben zitten. Vanaf de ‘trailhead’ in Onion Valley moest het op zondag een makkie zijn om een lift te krijgen naar Independence, het dichtstbijzijnde stadje, en van daar af zou ik dan twee dagen de tijd hebben om met openbaar vervoer weer terug te keren naar San Fransisco Bay. En dus vertrok ik de 28e ’s ochtends om 10 uur vanaf de Rae Lakes met een dubbel gevoel. Die dag zou ik afscheid nemen van de John Muir Trail met al het moois, maar tegelijk zag ik uit naar spoedig contact met mijn naasten, wat ik zo lang had moeten missen.

Op het eerste kruispunt na de afdaling van de Glenn Pass heb ik het eerste, meest noordelijke pad naar de Kearsarge Pass genomen. Opvallend was het zichtbaar drogere klimaat aan de woestijnkant van de Sierra Nevada. Ik had me gelukkig vooraf bij een toevallige ontmoeting met de ‘Ranger’ van de Rae Lakes laten informeren over de beschikbaarheid van water op mijn geplande uitweg, dus daar kon ik gerust over zijn. Na ruim anderhalf uur lopen was er inderdaad één mager stroompje, maar het was genoeg! Kort nadat ik daar vier liter water had getapt, heb ik voor de laatste keer mijn tent opgezet, op bijna 3400 meter, met de Kearsarge Lakes en Bullfrog Lake onder me en met een uitzicht op de majestueuze bergen in de verte.

Foto: Marla Beringer
Avondeten aan Evolution Lake

Ik had bewust nog vóór de pas een vroeg kampeerplekje gezocht om daar nog lekker lang elke minuut te kunnen genieten van het weer en het uitzicht en om uitgebreid te mijmeren over de prachtige ervaringen die ik op de John Muir Trail heb gehad. Hoewel ik elke nacht op de JMT minstens tien uur geslapen heb, was ik die nacht toch een beetje onrustig (hoe zou het gaan met het liften, het openbaar vervoer?), maar het was geen straf om wakker te liggen. De nacht was opnieuw verschrikkelijk mooi met een driekwart maan die op de bergen scheen en, nadat die was weggeschoven, een weergaloze sterrenhemel. Ik heb liggen genieten in mijn tentje!

Afscheid van de John Muir Trail betekende ook op weg naar lekker eten, vers eten! Ik werd er op het laatst doodziek van, dat droogvoer. Buhhh … Het was vooral functioneel eten, eten omdat het moest. Eigenlijk was dat het enige punt waardoor ik vaak naar de Pyreneeën of de Picos verlangde. Daar kun je om de zoveel dagen je brandstof op een lékkere manier op peil brengen. In de eerste helft van de John Muir Trail kon ik op een paar punten nog wel een echte maaltijd krijgen, maar van het Amerikaanse eten word ik eerlijk gezegd ook niet echt vrolijk. En na de laatste vers bereide maaltijd op 16 april moest ik het dus nog 13 dagen doen met droogvoer. Het kwam me mijn strot uit! Ik had dan ook regelmatig dagdromen over een lekkere roergebakken Chinese maaltijd, verse melk en echt brood.

Toen ik dus op 29 juni ’s middags via een snelle lift in Bishop belandde, heb ik mij in dit Luilekkerland eerst te goed gedaan aan een halve liter verse melk en meergranenbolletjes van Bakkerij Schat (jawel, écht brood van een van oorsprong Nederlandse bakkerij) met roomboter. En nadat ik in Motel 6 mezelf en mijn kleren een flinke wasbeurt had gegeven, stak ik de Main Street van Bishop over naar het Chinese restaurant dat daar al uren naar mij stond te lonken en heb mij verlustigd aan twee grote borden roergebakken lekkernijen: garnalen met uitjes en waterkastanjes en Chinese broccoli met knoflook. Wat een genot!

Volgens Jeff (Amerikaan van chinese komaf) die ik had ontmoet op de Kearsarge Pass, hoorde ik achteraf dat Bishop aan de hele oostkant van de Sierra ook ‘the place to be’ was als het gaat om de echte Chinese keuken. Had ik dat geluk weer…

Foto: Marla Beringer
Mijn Hexamid

De weg en niet de bestemming

Qua afstand heb ik dan maar 85% van de John Muir Trail gedaan, qua genot heb ik 200% binnengehaald. Hoewel ik er vaag in mijn achterhoofd ergens wel rekening mee hield dat ik de tocht toch zou voltooien en Mount Whitney zou halen (je weet tenslotte niet hoe het loopt), zou ik er nooit iets anders voor willen inleveren. Het zou altijd een bijkomstigheid zijn geweest, nooit het doel op zich. Ik had gewoon geen zin om me ervoor te moeten gaan haasten. Ik wilde primair genieten. Daarin ben ik blijkbaar een uitzondering. Ik heb vele medewandelaars gesproken die er een beetje verbaasd en lacherig over deden, hoe ik gewoon de tijd nam, maar vaak zeiden ze ook eerlijk dat ze dat eigenlijk ook wel zouden willen. Eén stel vond het jammer dat ze zo’n straks schema hadden met logistieke afspraken met anderen, onderweg en na afloop, en daardoor alsmaar dóór moesten. En weer anderen hoorde ik achteraf zeggen dat ze teveel hebben moeten haasten.

Ik weet gewoon wat ik fijn vind en wat niet. En dat begint er ’s ochtends al mee dat ik weiger mijn tent uit te komen als het nog koud is en dat ik pas de plug uit mijn matje trek als de zon mijn tentje beschijnt. Ik heb vakantie tenslotte; vroeg opstaan en de ongewild de kou in doe ik wel weer als ik moet werken. Wel kies ik mijn stekkie liefst zo dat ik wel ’s ochtends zo snel mogelijk zon heb, maar dan nog ben ik vaak pas om 10.00 uur op pad, soms ook 11.00 uur of zelfs later.

Foto: Marla Beringer
Muir Pass met de enige hut op de JMT

Ook wilde ik op een mooie bergpas liefst een uur van het uitzicht kunnen genieten. Waarom zou ik me zo snel uit de voeten maken van een plek waarvoor ik me zo in het zweet had gewerkt? Hier doe je het toch voor?!

Voor mij lag het ultieme genot van deze John Muir Trail in de vele weergaloze kampeerplekjes, midden in het bos of aan een mooi meer of een kabbelend of woest riviertje, met uitzicht op andere bergen en soms met een kampvuurtje. Dat was mijn ultieme beloning, niet Mount Whitney. Ik voelde me de koning te rijk als ik me na aankomst onbespied kon baden in een met bloemen omzoomd riviertje, onder het geklater van watervalletjes. Als ik ’s nachts wakker werd kon ik de sterrenhemel zien zoals ik die thuis nooit zou zien. Daar lag ik dan gelukkig te zijn in mijn tentje, met geen ‘gisteren’ of ‘morgen’, maar alleen de gelukzaligheid van het moment. Dat is wat ik zo mooi vind in de bergen en dat is wat ik ook gevonden heb op de John Muir Trail.

En over geluk gesproken … ongelooflijk wat er allemaal mee zat!

  • De Wilderness Permits zijn gebonden aan quota. Vooraf worden voor mijn startpunt (Happy Isles ‘trailhead’) per dag welgeteld 18 permits uitgegeven en dat gebeurt met een loterij. Ik was één van de gelukkigen, precies voor de plaats waarop ik wilde starten en voor de datum van eerste keus: notabene de 4th of July.
  • Het is dit jaar een relatief sneeuwarme winter geweest. En dat betekent geen sneeuwvelden meer, makkelijk over te steken riviertjes en weinig muskieten.
  • Ik heb welgeteld één dag slecht weer gehad met onweer , regen en hagel, maar laat ik op dat moment nou net bij de enige schuilhut op de hele JMT zijn aangekomen! Op de Muir Pass heb ik gewoon 4 uur gewacht tot het over was.
  • Van de gevolgen van de storm waarvoor zo gewaarschuwd was en de vele omgewaaide bomen op het pad, heb ik maar één dag echt last gehad.
  • En een maand na thuiskomst begrijp ik uit het nieuws dat ik de dans ontsprongen ben met het tamelijk dodelijke Hanta-virus, terwijl ik op niet meer dan een steenworp afstand van het getroffen deel in Yosemite Valley sliep.

Ik heb weer een heerlijke tocht gemaakt om lang aan terug te kunnen denken!

Foto: Marla Beringer
Als luciferstokjes...

Materiaal

Tot slot voor de liefhebbers de hoofditems van mijn materiaal, grotendeels speciaal hiervoor gekocht (en ook met grote tevredenheid gebruikt):

  • Schoenen: Lowa Vento CQ (licht, halfhoog zonder gtx en met serieuze ventilatie!)
  • Rugzak: Lowe Alpine Kongur 65:75
  • Tent: ZPacks Hexamid Solo Plus (een tarp) met ‘extended beak’ + Bugtent (nettent)
  • Slaapmat: Exped Downmat 7 UL
  • Slaapzak: ZPacks quilt voor -7 C
  • Kookgerei: Esbit Pocket Stove, Evernew Titanium mok 450 ml en Caldera Cone
  • Berentrommel (verplicht): Bearikade Weekender van Wild Ideas

Literatuur

  • John Muir Trail Atlas - Erik the Black’s UltraLight trail Guides(uitg. Blackwood Press); ultradun boekje met kaarten en alle belangrijke info
  • The John Muir Trail – Alan Castle (uitg. Cicerone); meegenomen als e-book op mijn telefoon

Foto-expositie

Bekijk ook de bijbehorende virtuele foto-expositie van enkele foto's die ik tijdens mijn tocht maakte.

Marla Beringer


Hiking-site.nl op Twitter




Share/Bookmark
homezoeken op deze sitetop van de pagina
Vertel vrienden over deze pagina

Laatste wijziging: 04-11-2017

Hiking-site.nl is een site voor actieve buitensporters, wandelaars en hikers die op zoek zijn naar informatie over materiaal, routes, navigatie, EHBO, tips en tricks, avontuur, wandelen, outdoor en buitensporten. Nieuw op deze site?
Lees dan eerst eens rustig deze pagina met informatie over Hiking-site.nl!
[home] [linken naar Hiking-site.nl] [adverteren op Hiking-site.nl]