foto In het schrijfblok komt telkens een nieuw (reis)verhaal over de belevenissen van bezoekers van de site. Ook jij kunt jouw verhaal insturen voor publicatie.

2003: Frankrijk - Pyreneeën – GR 10 - St.Jean Pied de Port – Borce Etsaut

Het zou beginnen op vrijdag 13 juni, onze tweede (en mijn derde) voettocht in de Pyreneeën, maar dat soort plannen kon je maken in een tijd waarin je nog gewoon op de eerste de beste trein kon stappen.
Geweldig die privatisering van het openbaar vervoer. Een Thalys brengt je op topsnelheid naar Parijs, maar om van een beetje redelijk tarief te profiteren moet je drie maanden vooruit boeken. Een aansluitende TGV naar Bayonne kan echter pas na half mei geboekt worden en dan blijken de goedkope Thalys kaartjes op. Snappen ze nou niet dat je geen Thalys boekt als je niet zeker weet of je wel een aansluiting hebt. Gelukkig, op donderdag is er nog plaats, moet je maar niet op vrijdag de 13de willen.
Ondanks stakingen in Frankrijk, tegen afbraak van de sociale voorzieningen, verloopt de reis zonder problemen, zelfs de metro werkt zonder storingen. Een uurtje duurt de rit van Parijs Du Nord naar station Austerlitz en we hebben nog een uur wachttijd. Naar buiten, de zon in.
Een man bietst sigaretten en kleingeld van iedereen die langs loopt, een meisje met een camera kijkt door de zoeker langs de gevel van het stationsgebouw omhoog.
Het lijkt erop dat ze de meest creatieve foto van haar leven in gedachten heeft. Meteen staan er een paar breed geklede maatschappijbeschermers naast haar en vragen wat ze aan het doen is. Mijn antwoord zou misschien geweest zijn ‘een terroristische aanslag voorbereiden’, maar zulke opmerkingen worden nooit op prijs gesteld heb ik ervaren. Voor je het weet ben je je kostbare rolletje kwijt.
Het wordt heet in de zon en we kuieren naar binnen. De trein staat klaar.

Wat is het rustig op het perron van Bayonne tot waar de TGV ons heeft gebracht. Aan de overzijde van het spoor een paar mensen die naar buiten lopen, een man met een blauw werkjasje die een vuilniszak uit de bak sleurt, verder is er niemand te zien.
Het is halfnegen in de avond en we lopen de verdacht stille stationshal binnen om kaartjes te kopen naar St. Jean Pied de Port. We verheugen ons op de leuke rit met het dieseltreintje waar ik in 2000 over schreef. Daar zullen we op een redelijke tijd aankomen en op de camping gaan staan om morgen de stoute schoenen aan te trekken. Drie jaar geleden zijn we daar begonnen om de GR10 (Grande Randonnée) naar het westen te lopen, deze keer willen we naar het oosten.
Geen kip te zien in de ruimte die anders overloopt van gekakel. Loketten dicht. Lampjes op de ‘départ’ borden branden alleen bij de internationale treinen. Franse briefjes waaruit we opmaken dat er door de staking geen trein gaat. En daar sta je dan.
Op of bij een station, een knooppunt van reizigers, verwacht je informatie in een paar talen, maar in de hal hangt alleen een summiere kaart met bedrijven en overheidsinstellingen.
We lopen het station uit en de jungle in om te constateren dat er geen enkele stadsplattegrond te vinden is, geen bordje naar een camping (later blijken die allemaal aan de kust te liggen), geen enkele informatie waaruit je een keuze zou kunnen maken hoe nu verder. Ja, rondom hotels tot in de hemel voor €50 per nacht, dat is alleen voor rampgevallen. Dan maar lopen en hopen.
Een groot stuk bos op de heuvel aan de achterzijde van het station lokt. Kijken waar we het spoor over kunnen. Een stuk verderop een voetgangersbrug, te gek. Shit, een heel hoog hek met een bord dat het bos verboden militair terrein is.
Verder, een rangeerterrein op, tussen oude, verroeste wagons en een enorme hoeveelheid zooi. Links van ons staan wat vrachtauto’s met de achterkant tegen een laadperron. Na een tijdje loopt het terrein dood tegen een autoweg. Terug dus maar.
De grendels van de oude wagons zitten onwrikbaar vastgeroest, jammer, het zou een bungalow kunnen zijn voor vannacht. Een klein gebouwtje zit op slot. Weer komen we langs het laadperron dat een beetje overdekt is, er liggen wat stukken karton en lege bierblikjes –opvangcentrum voor hopeloze gevallen zoals wij dus en besluiten daar te gaan liggen.
Het is benauwd warm, lawaaiig, goederentreinen denderen regelmatig langs. Iemand slaat met een stok tegen metaal wat spookachtig door de nacht kloinkt, er sjeest een scooter met twee jongeren langs en terug, een zoekende personenauto rijdt een rondje en verdwijnt weer. Zeker geen ‘Paradise by the dashboard lights’ te vinden op dit oud ijzer kerkhof.
Kortom geen driesterren slaapplaats, maar op een camping is het vaak benauwd warm, lawaaiig, langs een spoor of snelweg enzovoorts. Bij het ochtendgloren pakken we geeuwend onze spullen en lopen terug naar het station.

In plaats van de trein rijdt er een bus naar St. Jean Pied de Port, jammer, maar goed we komen er tenminste. Het is 28°C als we uitstappen op het, voor ons inmiddels vertrouwde, stoffige stationspleintje. In een winkelstraat kopen we wat proviand voor onderweg, we vullen de waterflessen en na enig zoeken vinden we de eerste wit*rood markering. Waarom beginnen die streepjes ook nooit gewoon bij het station?
De GR10 gaat eigenlijk de bergen in richting Spaanse grens, maar dan komen we te lang geen voedsel meer tegen, dus kiezen we voor het alternatief via Caro. Met onze 55 kilo lichaamsgewicht is de 15 kilo op onze rug al vrij veel en, al probeer ik me daar niets van aan te trekken, de 60 levensjaren gaan ook wel een beetje meetellen. Sinds de uitvinding van diepvries maaltijden is gevriesdroogde voeding aan het uitsterven en vaak komen we niet veel verder dan rijst, soep en puree voor een paar dagen en tot Larrau is er geen winkel meer.

Als we langs de citadel lopen komt er een Disneyland treintje naar beneden. De overwegend vrouwelijke passagiers (ik heb mijn wagen volgeladen, vol met…) beginnen spontaan voor ons te applaudisseren. Ach, in hun opvatting gaan we natuurlijk het bijna onmogelijke volbrengen.
Het wordt steeds heter en na een paar uur zijn we zo’n 150 meter geklommen. Met de slechte nachtrust achter ons zijn we blij een mooi helder beekje te kruisen en zetten de tent op. Bijna lichtgevende blauwe en groene libellen komen ons bekijken. Ik maak een vuurtje om (drink)water te koken en eten te maken. Het schemert nog als we in slaap vallen.

Het is nog vroeg als we Ahadoa bereiken. Een paar huizen en een weg naar Estérencuby. Vanaf hier hebben we weer een keuze, ofwel de top van de Handiamendi (642m) over of rond de basis van de berg.
De top is weliswaar een korte klim, maar heel stijl en er is geen schaduw. We voelen ons nog niet zo optimaal en besluiten de vlakkere route te nemen.
Het is ‘slechts’ 26°C, maar ontzettend benauwd en nadat we de paar huizen in Estérencuby achter ons hebben gelaten, komt het echte klimmen naar de col van Ithurramburu (858m). Het is zweten, zwoegen en sjouwen, maar we kunnen niet stoppen met onze, nog net draagbare, liter water.
Gelukkig gaat het nu naar beneden en 200 meter lager steken we twee bergbeken over en ploffen neer. Het is te zwaar, te heet. Ik stel een dag rust voor, we hebben krap eten maar water genoeg hier en gelukkig wordt mijn voorstel enthousiast aangenomen.

We slapen tot halfelf, dat hadden we blijkbaar nodig. Met een dag niets doen in het vooruitzicht gaan we ons lekker wassen in de beek en ik onderzoek mijn bagage op overbodige zaken. Natuurlijk is het al minimaal, maar ik besluit een paar dingen in het eerstvolgende dorp achter te laten. Een snijplankje is wel handig, maar dat kan ook op een pannendeksel. Met nog een paar kleine dingen kom ik toch op een besparing van zo’n halve kilo. Het lijkt onvoorstelbaar dat ik ooit in de Pyreneeën heb gelopen met een klein kind op mijn rug, een zwaardere tent, en veel meer spullen. Maar dat was dan ook vijftien jaren geleden.

Vandaag wordt het weer flink klimmen naar 1300 meter dus gaan we rond acht uur ingepakt op weg om op de top van de Col d’Irau in een dichte mist terecht te komen. Omdat we de kans op verdwalen willen voorkomen besluiten we verder te gaan over de weg naar Chalet Pedro waar we een omelet eten en de waterzak vullen.
Berg op en af komen we uiteindelijk een kilometer voor een paar skichalets een vlak stuk tegen voor onze tent. Enigszins uitgeput lopen we met de waterzakken naar de wat verderop gelegen Gîte d’Étape om te ontdekken dat alles verlaten is. Ik loop om het gebouw heen en zie gelukkig een deur openstaan van een toilet. Eten kunnen we op onze buik schrijven, maar we hebben water.

Vannacht zijn we lek gestoken door kleine mugjes die mee de tent ingeslopen zijn. Midgets? Zitten die hier ook al? Alles is nat door de aanhoudende mist en het is 12°C. Bij de Gîte zetten we koffie op het toilet en eten een paar Beverkaken. We gaan weer een stuk weg volgen naar Larrau, de alternatieve route.
De GR10 van hier naar Logibar duurt volgens de beschrijving zo’n zes uur (langer bij slecht weer omdat de route niet best is aangegeven) en er is geen water op de kaart te ontdekken. Aangegeven tijden op bordjes en in beschrijvingen zijn altijd gebaseerd op de pure looptijd (rust wordt niet meegerekend) en voor mensen met weinig bagage en dikke kuiten. Wij moeten deze tijd altijd ongeveer verdubbelen, dat betekent twee dagen lopen.
We hebben geen eten meer en in Logibar moeten we dan een stuk autoweg (terug) volgen, met een klim van 380 naar 627 meter, naar Larrau waar een winkel moet zijn. De alternatieve route gaat over Larrau naar Logibar, maar wel over grote stukken asfalt. Gelukkig is het niet druk.
Een paar kilometer voor Larrau zijn we de weg kwijt. Tenminste het stuk pad wat de asfaltweg zou moeten afsnijden en waar we hopen de tent te kunnen neerzetten. Met de 1:50.000 kaart kom ik er niet uit en net willen we weer naar de weg terug gaan als er twee mensen van natuurbeheer aankomen. Op hun 1:25.000 kaart zien we dat er echt een pad moet zijn en we oriënteren ons op een paar herkenningspunten om het te vinden. Blijkbaar erg lang niet gebruikt en overwoekerd, soms een vaag pad en soms kniehoog gras, maar we komen op een perfecte vlakte (nou ja, beetje schuin) voor de tent. We besluiten hier beter weer af te wachten. De mist wordt zowaar een beetje minder als de tent staat. Zo, en nu eten.
Een stukje verderop is een beekje, water is geen probleem dus, dan lopen we Larrau binnen met een winkel en een (gesloten) bakker. Met een rugzak vol eten voor twee dagen en een fles wijn gaan we terug naar de tent. Bertie aait in het dorp een paar zwerfhonden, vooral het kleintje is natuurlijk vertederend, die daarop denken dat er wat te halen valt en meelopen tot de tent.
Daar gaan ze alles te lijf waarvan ze denken dat het te eten is, zelfs in de waterzak zetten ze hun tanden en ik moet ze elke keer wegjagen. We geven ze niets, bang dat we ze niet meer kwijtraken, na een poosje verdwijnen ze en kan ik eindelijk eten maken. We proppen ons vol met een maaltijd, fruit en een toetje.
Wat is een, nog steeds eenvoudige, maaltijd heerlijk na een paar dagen soep en Beverkaken.

We slapen tot halftwaalf. We moeten dus wel erg moe zijn geweest. Er is iets minder mist, wel veel vocht in de lucht en ik maak een stevig muesli ontbijt. Normaal weeg ik zo tegen de 60 kilo, maar er moet heel wat afgegaan zijn, er zit 15 centimeter ruimte in mijn broekband en ik bind een touwtje tussen de lussen om hem wat aan te halen.
Dan breekt de zon door! Ik tel dertien (gelukkig is het woensdag) gieren die boven me in de lucht cirkelen en het uitzicht op de bergen is weer wat het hoort te zijn. Dat ziet er allemaal wat positiever uit en we brengen de dag door met gepast luieren.

Om zeven uur staan we op. Het is nu alweer heet in de tent en snel maken we ontbijt en pakken de spullen in. In Larrau doen we nog wat inkopen voor onderweg (de bakker was op woensdag open dus dat wordt weer een kneedbaar plastic brood, ik moet toch die dagen in het Frans eens leren) en lopen bergafwaarts de paar kilometer naar Logibar. Zo, eindelijk weer op de ‘gewone’ GR.
Tenminste, dat zou kunnen, maar volgens een beschrijving zou het een tragedie zijn als je de spectaculaire Gorges d’Holzarté nooit hebt gezien, dus hebben ze weer een alternatief verzonnen. Het is maar een uurtje omlopen en na een ‘couple of hours’ wandelen komen de twee weer bij elkaar. Wij doen er twee dagen over, maar spectaculair? Nee! Eerder overweldigend, wat een eruptie van natuurkrachten moet Moeder Aarde hebben veroorzaakt bij de bevalling van deze schoonheid.

Maar laat ik niet vooruit lopen. Logibar zelf ziet er wel uit als een spektakel. Het bestaat uit alleen een ‘Auberge’, een combinatie van bar, restaurant en Gîte d’Étappe en zeer populair bij ‘day trippers’. Vanaf het punt waar we staan lijkt het een klein pretpark met volle parkeerplaatsen.
We gaan klimmen. Van 380 naar 999 meter in krap twee kilometer, dat gaat hard omhoog. Het is een beetje file door alle ‘day trippers’ die met een lunchpakket het gloeiend hete, windstille bergpad langs een steeds dieper wordende kloof trotseren. Wij zwoegen en zweten ons met huis, bed, keuken, kleding en een paar dagen eten naar boven. Vaak zien we de mensen die ons voorbij liepen, weer terug naar beneden komen. Na een paar keer uitblazen en genieten van het uitzicht staan we voor een brug over de kloof.
Aan weerszijden een stenen boog met daartussen kabels gespannen. Daarop liggen planken waarvan je jezelf afvraagt of het niet eens tijd wordt ze te vervangen. Als we erop stappen lijkt het of je op een luchtmatras probeert te lopen, het wiebelt allemaal een beetje. Heel, heel diep onder ons het zilver glinsterend lint van de beek die beneden bij Logibar een aardig riviertje was geworden.

Ik ben wel een beetje blij als ik aan de andere kant sta. We gaan zitten voor de lunchpauze en schatten de klim in die voor ons ligt. Waar zijn we weer aan begonnen. Hier op het bergpad een tent opzetten kunnen we vergeten. Trouwens is onze voorraad water opgegaan tijdens de klim (veel te weinig), hebben we dringend drinkwater nodig en ligt dat onbereikbaar honderden meters beneden ons.

Ach, eerst maar eens een paar Beverkaken (daar moet je eigenlijk veel bij drinken, maar vermengd met wat speeksel krijg ik ze doorgeslikt) en dan verder kijken.

Naar de mensen bijvoorbeeld. Velen bekijken de brug, griezelen hoe diep het is, maken een foto en gaan terug. Sommigen wagen zich naar de overzijde en een enkeling, meestal met een rugzak in ons formaat, klimt verder. Druk zal het dus verder niet zijn.
Het gaat snel vervelen op dit drukke plekje, dus verder omhoog de beboste helling op. Het blijkt nog een flinke klim te zijn en net voordat ik het echt gehad heb wordt het wat vlakker en komt de beek steeds hoger.
Een kilometer of drie verder zijn we op gelijke hoogte en komen bij een bruggetje van een paar meter over hetzelfde water dan bij die hangbrug, een maffe gedachte.
Water én een paradijselijke plek met een paar vierkante meter voor de tent, hout genoeg voor een vuurtje. De beek watervalt zich hier naar beneden en eeuwenlang polijsten heeft er voor gezorgd dat in de rotsbodem diepe kommen zijn gesleten waarin het water bruist. Een lange rij bubbelbaden, jammer dat het water zo ijskoud is.
Eigenlijk zouden ze boven op de berg een kerncentrale moeten bouwen. Het koelwater zorgt dan voor een lekkere temperatuur. Nadeel is natuurlijk wel dat je kaal wordt, maar dat is wel in op het moment.
Goed, geen gegrap over de laatste stukjes natuur. We gaan bij het water zitten en kijken een tijdlang zwijgend naar het schouwspel wat elke keer weer anders is. Het neervallende, kolkende, bruisende water maakt zo’n lawaai dat we elkaar nauwelijks kunnen verstaan en Bertie doet die nacht maar één oog dicht.
Weer vroeg op –je weet maar nooit hoe heet het vandaag weer wordt en verder klimmen. We ontmoeten de echte GR10 weer en klimmen verder naar Abarrakia (1200m).
Door de slechte markering lopen we fout en komen daar pas een tijd later achter. Ik vermoed dat het echte pad veel hoger ligt. Een eind terug? Eigenlijk zijn we door het klimmen alweer behoorlijk aan het eind van ons Latijn. We besluiten mijn kompasneus te volgen en dwars door het bos de helling op te gaan.
We zaten een flink eind te laag en hijgend staan we een tijd later weer op de route en op een prachtige vlakte op 1200 meter hoogte met diepe dalen en nog hogere bergen (1893m) rond ons. Een waterstroompje maakt het geheel tot een prima overnachtingsplek en dat werd hoog tijd. De bergtoppen schuiven voor de zon en projecteren toverschaduwen op de hellingen aan de andere kant.

Vannacht stormde het op de hoogvlakte waar we staan. De tent schudde en klapperde op een gegeven moment zo hevig dat ik ben opgestaan om extra lijnen te spannen. Om halfzeven ben ik wakker en sta op.
De hemel is zacht gekleurd met een halve afnemende maan. Vlak boven me zweven tegen de wind in 31 gieren, ik kan ze bijna pakken. Dan kleurt de zon de bergtoppen oranjerood en de schaduwen zakken de dalen in.
Zoals iedereen heb ook ik ooit gefilosofeerd over de zin van het leven. Dat was in de tijd dat ik dacht dat het leven te kort was om alles te beleven en dus in een paar weken half Europa rond reed.
Op een ochtend als deze is de zin van het leven tastbaar, die paar kubieke meter kosmos[2] laten je zo intens zien wat leven is.
Ik zet koffie en maak Bertie wakker. Als ik zeg dat er 31 gieren op haar wachten, kijkt ze me ongelovig aan en steekt haar hoofd naar buiten. Volgens mij is er alweer één bij gekomen, maar het tellen was al zo moeilijk, ik begin er niet weer aan.
Dan loopt ze een stukje bij de tent vandaan en gaat voor dood in het veld liggen. Onmiddellijk hangen er een stel vlak boven haar te kijken, maar ze trappen er niet in en weigeren haar ogen uit te pikken.
Het waait nog steeds hard en met moeite krijg ik wat water gekookt voor onderweg. Als we verder gaan is het alweer heet aan het worden en we hebben nog een flinke klim voor ons naar 1380 meter. Eerst een kilometer of vier langs de helling en dan steil omhoog. Als we op het punt aankomen waar de klim begint is het 32°C, maar we moeten verder. Er is geen water hier en de voorraad slinkt alweer.
De hete klim put ons behoorlijk uit en we rusten even. Dan overschatten we onszelf.

Vanaf hier gaat het naar beneden, dat lijkt makkelijk maar is het niet. Met een zware rugzak voel je op een geven moment elke stap in je knieën schokken, je voeten schuiven een beetje tegen de schoenneuzen aan waardoor je pijn krijgt aan je tenen, door de schokken is je rugzak geneigd om over je heupen naar onder te zakken en moet je elke keer de boel weer ophijsen. Samen met de hitte, het tekort aan water en de vermoeidheid wordt het bijna een martelgang en ik maak een grapje tegen Bertie dat ik volgende keer liever ga meedoen aan een boetetocht waarbij je jezelf tot bloedens toe op je rug slaat met een zweep of ketting.
Trek in weer eens echt eten en drinken laat ons over de grens gaan. We willen afwijken van de route en naar La Caserne gaan waar waarschijnlijk een winkel is, we hebben gelezen dat de volgende een heel stuk verder is.
De eerste kilometers lukken nog wel, maar als we een paar kilometer voor La Caserne zijn stort ik in. Na een paar Hartkeks lukt het wel weer, maar nu krijgt Bertie uitdroog verschijnselen. Prikkelbaar, duizelig en de moed opgevend. Natuurlijk zijn we wel een paar minuscule waterstroompjes gepasseerd onderweg, maar in principe kook ik het beekwater voor we het drinken en dat is dan zo’n gedoe met pannetje, brander. Je zit dan trouwens met gloeiend water wat eerst weer moet afkoelen. Dus denk je elke keer ‘even doorzetten’ tot je merkt de fout in te gaan. Volgende keer gaat er een ‘waterzuiveringpen’ mee. Dat is een kleine, lichte (30 gram) waterfilter, geschikt voor zo’n 100 liter. Dat is voldoende voor onderweg gevallen.
We strompelen het dorp binnen, één straatje met huizen en Bertie flipt omdat er geen winkel te zien is. Ik reageer prikkelbaar terug dat we niet eens goed hebben gekeken. Wel zit er een waterkraan tegen een gevel en ze drinkt snel, tegen mijn advies in, ruim twee liter van het ijskoude water.
Intussen ga ik op onderzoek en zie dat een van de huizen een bijna onherkenbaar winkeltje bevat. Gered! Met twee woorden Frans en een heleboel gebaren kom ik te weten dat openingstijden niet zo’n probleem zijn en we krijgen de camping aangewezen die een kilometer verderop ligt. Straks komen we terug voor een lading boodschappen. Bon, OK, no problem. Voor ons ook niet (meer)!

Ook vandaag blijven we op deze camping staan. Goedkoop, heel rustig ondanks het weekend én (dat heb ik nog nooit meegemaakt) een douche waar je zelf de watertemperatuur kan regelen. Ik ben een heetwaterkreeft dus over het algemeen vind ik de voorgeprogrammeerde temperatuur veel te koud. Ook vandaag is het weer 30°C maar dat is geen beletsel om de kraan bijna op z’n heetst open te draaien. Tegen de avond (zondag) zijn we nog de enigen op het terrein en het is feest door de goedgevulde provisiekast.
Maandagochtend vroeg pikken we de route weer op (of had je verwacht dat we het nu wel zouden opgeven?).
Het is mistig, beetje benauwd, maar dit stukje asfaltroute loopt snel en al gauw zijn we in Sainte Engrâce. Daar bekijken we een kerkje uit de 11de eeuw met in steen uitgehakte voorstellingen, eten een ijsje op het terras er tegenover en besluiten maar weer eens de alternatieve GR te volgen naar Arette la Pierre St Martin.
Reden daarvoor is dat de mist dikker wordt en we het niet zien zitten tijdens de klim naar 1640 meter de route kwijt te raken (daar wordt voor gewaarschuwd) en er is geen vlekje blauw (water) te zien op de kaart. Natuurlijk moeten we uiteindelijk toch op die 1640 meter uitkomen, maar het gaat wat geleidelijker en deze route kruist wel een paar keer een blauw lijntje.
Tijdens de middagpauze zitten we dan ook naast een tientallen meters neerkletterende waterval en een stuk verder stoppen we naast een beek. We maken een kampvuur en koken veel drinkwater. In de nacht onweert het en zijn er flinke windstoten, maar we slapen heerlijk.

Het is 20°C als we om zeven uur opstaan en het lijkt heet te worden. Met een flinke klim in gedachten haasten we ons op weg.
Het wordt inderdaad steeds heter en als we rond de middag de afslag bereiken waar we volgens de kaart verder door het bos kunnen is onze energie behoorlijk gedaald. De eerste kilometer volgen we de wit*rood markeringen tot we bij een schaduwrijk plekje komen voor een uitgebreide lunchpauze. We proberen een tukje te doen, maar al heel snel word ik weer wakker omdat ik het koud krijg. Een dikke mistbank komt opzetten, snel weg hier.
Een tijdje klimmen we verder omhoog. De markeringen worden moeilijker te ontdekken. Dit stuk wordt omgeploegd door bulldozers (een nieuwe snelweg naar de skipiste?) en heel veel bomen zijn gekapt. Dan is er geen enkele markering meer te ontdekken, maar het spoor van vernieling volgen lijkt de enige mogelijkheid, dus hijgen we verder. Plotseling is het afgelopen, we zijn verdwaald. Ik loop een stuk het bos in om te kijken of we ergens verder kunnen, maar dicht struikgewas belemmert de doorgang. In de diepte zie ik de plek waar we hebben gerust. We kunnen hier gewoon niet verder.
Ook dit maken we steeds vaker mee. De olieslurpers banen zich gewetenloos door de laatste stukken natuur en nemen daarbij bomen, stenen en paaltjes waar een GR markering opstaat mee. Soms vind je na lang zoeken een stuk verderop het pad weer terug, maar we hebben geen zin om in de steeds dikker wordende mist te gaan lopen dwalen. Dat wordt het hele stuk terug en ons moreel krijgt een flinke deuk.
Als we weer op de rustplek terug zijn is de mist zo dik dat ik Bertie, die een meter of tien voor me loopt, alleen nog als een vage schaduw zie. Zwijgend stampen we verder over het asfalt terwijl gelukkig maar heel af en toe een auto langs rijdt.
Koeien in donkerbeige leren jassen lopen klingelend de kruidige hellingen af te grazen. Als we er langs lopen kijken ze ons meelijdend aan, al lijkt er wel een licht satirische glimlach op hun lippen te liggen. Ogen vochtig van verdriet om hun gekke soortgenotes, die bij ons soms even het hok uit mogen om in kapot gespoten weilanden, ontdaan van elke schaduwboom, te hopen dat ze de waanzin overleven.
Kippen rennen kakelend rond en vertellen elkaar ongeloofwaardige verhalen over hun zusters, die met duizenden op een rijtje zitten te wachten tot het virus toeslaat.
Daar verliezen ze zelf ook af en toe een dierbare vriendin of familielid door, maar ginds schijnt het een massamoord te zijn, waarbij iedereen de gaskamer in gaat.
Een stukje verder ligt een lui varken in de schaduw te knorren en lijkt daarbij niet de pest in te hebben dat ook zij ooit geslacht zal worden. Waartoe dienen deze ‘huisdieren’ anders?
Een varken heb je niet voor de gezelligheid, maar als spaarvarken voor de kerst. Van ons had ze gewoon wild zwijn mogen blijven, maar misschien zou ik er anders over denken als ik hier zou leven. Er groeien verdomd weinig kropjes sla, hoewel ik dan liever op dat wilde zwijn zou gaan jagen.
Dit soort ekologische gedachten kan ik thuis wel vol vuur uitdragen, hier is het ineens tastbaar, je ziet het, je voelt het in alles om je heen en je vraagt je af waarom de mens bezig blijft alles te verzieken. Dat bewijst het treurige maanlandschap als we Arette la Pierre St Martin naderen. Kaalslag en erosie veroorzaakt door mensen die denken dat een paar uur op de lange latten om zich vervolgens vol te vreten en drinken een gezonde vakantie is. Zij zien niet wat er onder de maagdelijk witte sneeuw gebeurt. Eigenlijk zouden ze eens in de zomer moeten gaan kijken naar hun favoriete skigebied.
Horizon vervuilende stalen constructies voor liften naar alle kanten. Smerige torenflats als hotel met bars, restaurants en een landschap dat eruit ziet alsof er een bombardement heeft plaats gevonden. Overal ligt afval, blikjes, kapotte plastic stoelen. Het ziet eruit als een oude mijn en spookstad en we vrezen het ergste.
We zijn moe, doodmoe van het constante klimmen in de hitte.
Volgens een omschrijving in ‘Trekking in the Pyrenees’ door Douglas Streatfield James (overigens een aanrader voor GR loper*s die een beetje Engels kunnen lezen) …moet het mooi zijn onder een deken van sneeuw, maar somber en naar in de zomer…, dat klopt dus. Hij vervolgt …ondanks dat is het welvoorzien met faciliteiten die het een goede nachtstop maken voor wandelaars…in de erg lelijke hoog oprijzende gebouwen zijn op de begane grond, winkels en andere faciliteiten, een geldautomaat (dat komt mooi uit, want ons geld is bijna op en tot nu toe zijn we nog niets tegen gekomen), een wasserette en een toeristenbureau…
Het boekje is in 1998 uitgegeven, dus nog niet zo oud, maar volgens ons vergist de schrijver zich in het seizoen. We kunnen wel naar binnen in het gebouw –lijkt op een overdekt winkelcentrum en lopen door de stille lange gangen. Het is allemaal verlaten en het ziet er niet naar uit dat het nog voor de winter opengaat. Het is vergelijkbaar met één groot consumeerpark waar een openbare verkoop heeft plaats gevonden. Helemaal achter in het gebouw is een kantoortje met een paar mensen die iets onduidelijks mompelen op mijn vraag of er ergens iets te eten is. Gelukkig is er wel een toilet zodat we genoeg water hebben om maar weer een pakje soep aangevuld met rijst te kunnen maken.
We gaan weer naar buiten om een plekje te zoeken en uiteindelijk besluiten we maar om niet verder te zoeken omdat het allemaal even smerig is en gewoon de tent op te bouwen. We voelen een grote neerslachtigheid met dank aan alle wintersporter*s.
In deze stemming begin ik de tent uit te vouwen, als iemand boven op de berg staat te zwaaien en roepen dat we daar niet mogen kamperen. Eigenlijk hebben we alleen nog maar zin om in de slaapzak te kruipen en negeren het, maar hij blijft aanhouden en roepen dat we omhoog moeten komen. Nu weet ik dat daarboven een Refuge is en denk dat hij ons een kamer aan wil smeren, maar we laten de spullen liggen en gaan toch maar even naar hem toe om het uit te leggen of desnoods een stukje verderop te gaan staan.
Het blijkt inderdaad de eigenaar van de Refuge Jeandel te zijn. De andere aanwezigen, zijn vrouw en vijf mannen zitten op een bank voor het huisje. Er is een Belg bij die tolk speelt en ons duidelijk maakt dat we de tent gewoon (gratis) kunnen neerzetten op het grasveldje naast de Refuge. Als achterdochtige Nederlander denk je nog even dat zo’n aanbod een diepere bedoeling moet hebben, maar op mijn vraag of er wat eten te koop is voor morgen, krijgen we als antwoord dat er wel een stokbrood of zo over is.
We klauteren het pad weer af om de spullen op te halen en met de laatste reservekracht, die we eigenlijk niet meer hebben, bouwen we de tent op. Net op tijd. Boven de Pic d’Anie komen inktzwarte wolken opzetten en grote druppels vallen naar beneden. Zin om eten te maken heb ik niet veel, eigenlijk willen we gewoon slapen, maar we hebben ook honger. Bertie doet het voorstel binnen te gaan vragen of er wat te eten is en daar ben ik het heel erg mee eens.
Het eten voor de vijf andere gasten en henzelf is al klaar gemaakt en ze staan op het punt aan tafel te gaan, maar ‘willen we misschien salade’, frites is ook geen probleem en ze duiken het keukentje weer in. Samen met een flesje wijn is het voor ons feest. Als we onze bemodderde bergschoenen in de gang zetten en op onze sokken de eetruimte binnengaan klinkt een ‘merci’. Er hangt een gezellige sfeer.
Aan een van de lange tafels zitten behalve de Belg, twee Fransen en twee waarvan ik vermoed dat ze heel wat Spaans bloed in zich hebben, ze zien er een beetje uit als Mexicaanse bandieten. Ook de eigenaar en zijn vrouw eten gelijk mee en regelmatig staat hij op om de schalen bij te vullen.

Nadat we nog een koffie hebben besteld gaan we met onze rest wijn buiten op het bankje zitten om een shagje te roken. We kijken naar de onweersflitsen boven de bergen en genieten van het uitzicht. Weer bezorgt deze omgeving me gevoelens van kwaadheid. Zo naar het zuiden kijkend, met het huisje achter je rug, het ongerepte van natuurlijke schoonheid terwijl aan de noordwest kant het monster hongerig ligt te wachten op de winter en vers toeristenbloed.
De vrouw komt naar buiten met de koffie. O ja, we hadden nog koffie besteld, sorry. Geen probleem en het dienblad wordt op een stoel bij ons neergezet. Nog steeds moe, maar met een heel wat beter gevoel in de maagstreek kruipen we de tent in.

Als wij nog bezig zijn met wakker worden lopen de vijf mannen de Haute Randonnée Pyrénéenne (HRP) naar de Pic d’Anie op. Als we binnen naar het toilet gaan –ik heb nooit bij iemand een leuker, gezelliger toilet gezien krijgt Bertie een appel voor onderweg en wordt ons gezegd dat we geluk hebben, het wordt mooi weer vandaag.
Het stuk naar Lescun is volgens de beschrijving niet zo moeilijk, maar bij slecht weer wordt aangeraden te wachten omdat je heel makkelijk de markeringen kan missen. Later komen we erachter dat dit niet overdreven is. Maar mooi weer betekent hier dat het heet wordt en snel gaan we op pad.
Een tijdlang lopen we door het spookgebied, het is groter dan ik dacht, maar dan eindelijk buigt het pad af en gaat een rotsblokken bezaaide helling op. Af en toe is het even zoeken naar het wit*rood, maar het lukt.
En dan lopen we ineens boven de sneeuw. Een vreemde gewaarwording. Midden zomer, bloedheet –mijn metertje staat weer op 30 graden en op de hellingen naast ons sneeuw. Boven komen we weer op een brede weg en lopen onder (alweer) twee skiliften door. Het steengruis glijdt weg onder mijn schoenen en regelmatig maak ik een schuiver. Gelukkig is het niet ver van de plek waar het pad weer afbuigt.
Hier staan wat bomen op de helling en we rusten in de schaduw. Er komt een groepje jongeren langs waarvan er één zijn schoenzool met een touwtje heeft vast gebonden en regelmatig stil staat omdat het los raakt. Achteraan komt een jongen aansjokken die het duidelijk moeilijk heeft. Alles aan hem ziet er afgezakt uit, zijn lichaam, zijn kleding, alsof de zwaartekracht hem naar het middelpunt van de aardbol wil trekken. Zijn rugzak hangt als een baal zand aan zijn schouders en hij loopt er steeds aan te sjorren.

We zitten hoog hier, maar het pad klimt verder en ruim een uur lopen we het smalle bergpad op naar de Pas de l’Osque (1922m) waar we overheen moeten. Diepe kloven in het ruige rotsterrein, soms een diepe, donkere spleet waar we overheen stappen. Inderdaad, geen aanrader bij mist.
Dan gaat het mis. Nergens meer een markering te bekennen. Het pad lijkt verder te gaan –waarschijnlijk zijn al eerder mensen hier verkeerd gegaan maar, ons ophijsend aan bomen en uitstekende rotspunten zitten we vast op een richel die de situatie wel wat eng maken. Peilloze diepte onder ons, gieren die wachten tot we vallen naast ons, een stuk loodrechte rots voor ons.

Even een shagje en de situatie overzien. Terug? Ik moet er niet aan denken. Op de smalle richel wurm ik me uit mijn rugzak en klauter een stukje opzij. Dan zie ik, onbereikbaar een wit*rood markering op een rotswand. Geen idee hoe we daar hadden moeten komen. Ik klim nog een stukje hoger en ben op de top. Aan de andere zijde gaat het een stuk steil naar beneden, maar zes meter lager ligt weer het pad. Heel smal, dat wel, maar het moet lukken.
Ik ga terug en leg de situatie uit aan Bertie. We besluiten het te proberen, beter dan die steile wand terug. Het stukje naar boven is wel echt handen en voetenwerk, maar ondanks evenwicht verstorende rugzakken van 15 kilo lukt het. Als we boven op de kam zitten bedenk ik me dat ik de rugzakken ook had kunnen ophijsen. Dat wordt wel de oplossing voor het naar beneden gaan. Eerst klim ik zonder rugzak naar beneden, dat gaat een stuk beter en met mijn reddingslijn (die is toch wel vaak van pas gekomen) laten we de rugzakken zakken. Als we weer op het veilige, 50 centimeter brede, bergpad staan moeten er even wat zweetdruppeltjes (angst, inspanning?) afgeveegd worden en ik loop een stukje terug. Vanaf hier staat het goed aangegeven en zie ik wat er verkeerd is gegaan. Wel een hele klauterpartij, maar een stuk eenvoudiger dan wat wij hebben gedaan. Nou ja, de gieren hebben weer pech.
Een stuk dalend komen we al snel op een vlakte waar de markeringen erg slecht zijn, maar de ‘steenmannetjes’ wijzen de weg. Af en toe leggen we er een nieuwe steen bij. Sinds we vorig jaar in de Alpen ‘gered’ zijn door deze cairns lachen we niet meer om dit gebruik de berggoden gunstig te stemmen.
Van oorsprong zijn cairns een uit stenen opgeworpen grafheuvel uit de prehistorie, waar ze misschien ook wel als baken gebruikt werden. In de Himalaja staan geen wit*rood markeringen maar wel steenmannetjes[4] en dit gebruik is overgewaaid naar de lange afstand paden, al vind ik een stok met een reep plastic een vreemd windgebed en een frisdrankblikje een beledigend offer. Ik prop het in mijn zak om het later in een afvalbak te gooien. Natuurlijk kan ik dat niet doen met alle troep die ik tegenkom, maar als iedereen nou iets meeneemt…
Er volgt weer een klim naar de Pas d’Azuns (1873m) waar we even stoppen. Een schitterend uitzicht is onze beloning. Een enorm dal met aan de overkant de Pic d’Anie. Volgens een beschrijving ligt diep beneden ons een kleine schaapherderhut en na enig zoeken zien we die ook. Door het begroeide dak gaat het bijna op in het landschap. Op de HRP vanaf de Pic d’Anie zie ik vijf kleine figuurtjes. Aan de kleding van één van hen herken ik de vijf van de Refuge. Bij de hut staan ze even stil en verdwijnen dan tussen de rotsen.
Ook onze GR10 gaat naar beneden, zakt naar 1698 meter en korte tijd later staan we bij de gammele hut met de mooie naam: Cabane du Cap de la Baitch. De oude man vraagt of we schapenkaas willen hebben en hangt intussen een bordje, met de al jaren geleden geschilderde tekst ‘Fromage’, aan een roestige spijker in de muur.
We kopen een stukje na verschillende soorten verplicht proeven en onze keus wordt als de juiste bevestigt met het klassieke gebaar, een kus op de toppen van zijn vingers die aan de ruimte wordt vrij gegeven, en de mededeling dat het heerlijk is bij een glas wijn.
Wij moeten het even doen met het heerlijk frisse beekwater wat langs zijn Cabane stroomt en als we daar een stukje verderop nog steeds langs lopen lijkt het ons een geweldige stopplek, ook omdat er weer mist komt opzetten.

We blijven hier een dag. We gaan eerst naar Lescun en dan via de Tour de la Vallée d’Aspe naar Bédous. Vandaar kunnen we makkelijk met de bus de Pyreneeën weer uit, de volgende mogelijkheid is een heel stuk verder in Gourette en dat halen we deze keer niet meer. Dus hebben we tijd zat om even rustig rond te kijken.
In het oosten een dal met in de verte een hele hoge sneeuwberg. Dat moet de Pic Permayon (2344m) zijn. Het dal ligt constant bedekt met een mistdeken waaronder ergens Lescun moet liggen. In het noorden een bergkam van zo’n 2000 meter en in het zuiden de helling van de Pic d’Anie.
Regelmatig wordt de mist, als in de bruisende kookpot van een toverheks, tussen deze hellingen gestuwd. Eerst langs de randen, sluipend trekt het langs ons heen. Dan, als we gevangen zitten in een ring van mist, sluit de cirkel zich en kunnen we niet verder kijken dan een meter of tien. Plotseling komt vanuit het westen over de Pic du Soumcouy een stuk felblauw aanzetten, met vurige zonnetongen die al het grijs weer terug duwen het dal in en zitten we in de hete zon. Dat gaat de hele dag zo door.
Ook in het zuiden, maar dan heel dichtbij worstelt een scarabee met een kaaskorstje. Er zitten ontzettend veel van die nuttige diertjes hier, vanmorgen werd mijn drol weggedragen voordat hij goed en wel op de grond lag (nou ja, bijna). Ook de rest van de dag breng ik door met filosofische bewustwording omtrent de zin van het leven en weet dat zolang er zoveel mogelijk gifvrije stront uit mij komt er van die leuke beestjes zullen bestaan.

Er hangt een zware mist die we proberen te verdrijven door uit te slapen, maar we ontkomen er niet aan. Vandaag moeten we naar Lescun. Tot aan de Refuge de Labérouat zien we geen hand voor ogen, maar het pad is goed gemarkeerd.
Van de refuge tot aan Lescun volgt de GR grotendeels een verharde weg met af een toe afsnijden van een bocht. Door de mist en/of de slechte markering gaat het op het eerste stuk al mis en we volgen verder de weg. Vlak voor Lescun is een veldje waar we de tent opzetten en lopen met een lege rugzak naar het dorp om eten te kopen.
Lescun is een leuk klein plaatsje met kronkelende straatjes en oude stenen huisjes. Er is een kleine winkel en we keren weer dolgelukkig terug met ons standaard feestpakket.

Ik geloof dat ik deze reis nog niet zo slecht geslapen heb als de afgelopen nacht. Er was een zwaar onweer en het ging maar niet regenen, alleen mist. Schapen die in veiligheid werden gebracht en luid klingelend langs liepen. Toen ik besloot een shagje te roken en naar het onweer te gaan kijken ging het regenen en hield het onweer op. Eindelijk viel ik in slaap.
Van Bertie hoor ik een gelijksoortig verhaal als we de tent afbreken en niet al te fit onze veters vastknopen.
We klimmen terug naar de refuge en er is geen mistflard meer te bekennen, integendeel de zon brandt en het is bloedheet.
Als we eindelijk, uitgeput bijna bij de refuge zijn en ik op de kaart kijk dringt de verschrikkelijke waarheid tot me door. Hoe kan ik nou steeds in gedachten hebben gehad dat we daarheen terug moesten? De afslag naar het pad was ongeveer halverwege Lescun en hier. Maar daar heb ik helemaal geen pad gezien.
Dat wordt even een kwartiertje goed balen, temeer omdat hier nergens een beetje schaduw is. Weer lopen we een stukje terug en vinden een veldje waar we een poosje slapen.
Maar we moeten terug, waarschijnlijk ligt die afslag ergens langs een stuk waar de GR een bocht in de weg afsnijdt. Dan vinden we een paar wit*rood markeringen en zijn die een stuk verder weer volkomen zoek. Een paar keer zitten we vast tussen de struiken en varens. Dit wordt puin.
De 1:50.000 kaart is te grof om te zien waar we zitten of waar we heen moeten. We gaan terug naar de weg en naar Lescun waar we gulzig ons opgelopen vochtverlies aanvullen.
We besluiten naar Borce/Etsaut te gaan. Eigenlijk hebben we het wel gehad voor vandaag. Maar het idee weer op hetzelfde veld te slapen als waar we vanmorgen vertrokken lokt niet erg en na wachten tot de winkel opengaat en waterzak vullen strompelen we nog een stuk verder.
Als we het dorp uitlopen volgt al snel een rotsblokkenklim die steil omhoog gaat. Boven ligt een camping, zo’n moderne met slagboom en keurig uitgemeten plekjes en verder ook alles erop en eraan. Zullen we? Is het nou echt niet mogelijk nog een kilometertje te lopen? Daar zie ik op de kaart een beek. Kom op, dat moet lukken.
Het lukt, maar pas tegen dat de zon achter de bergen zakt lukt het om iets te eten te maken, omdat er morgen wel weer wat energie voorradig moet zijn.

Het is puinhoop met die energie. We hebben onszelf bij aanvang van deze reis op een rantsoen gezet wat roken betreft. Roken we ‘normaal’ samen drie pakjes shag per week nu is dat één pakje, dus daaraan kan het niet liggen. De hitte telt zeker mee al proberen we dat te ondervangen door vroeg te gaan lopen en in de middag grote rustpauzes te nemen. Het tekort aan water, dat zou wel eens een boosdoener kunnen zijn.
Later lees ik een stukje in de Bever catalogus. Gemiddeld verlies je ’s nachts een halve liter vocht, overdag drie tot vijf liter bij inspanning en hoge temperatuur, voor elke 1000 meter hoogte heb je nog eens minstens een liter extra nodig. Twee procent vochtverlies betekent twintig procent functieverlies.
We lopen op hoogtes tussen 1000 en 2000 meter, regelmatig is het rond 30°C en we klauteren wat af. Opgeteld zou je dus zo’n zes á zeven liter water per persoon per dag moeten drinken. Wij sjouwen voor ons samen één á twee liter mee, meer gaat echt niet. De middagstop proberen we bij een beek te houden zodat we weer water kunnen koken, maar we hebben dan ook trek in een kop koffie. Ik heb ooit ergens gelezen dat cafeïne ervoor zorgt dat je lichaam nog meer water nodig heeft (Cola is dan ook slecht om je dorst te lessen, je blijft het drinken en dat wil de producent). Dat naast elkaar bezien kan dat wel het probleem zijn waar vooral Bertie last van krijgt.
Nadat we een stuk hebben gelopen door een bosrijke omgeving en bij Plateau de Lhers een hete bergweg volgen komen we bij een plek die gebruikt wordt door dagwandelaars. Een grasveld met (onbezette) picknicktafel en een beek. Bertie ligt een tijdje met haar hoofd op haar armen voorover op de tafel. We eten wat, drinken koffie (!) en realiseren ons dat het niet goed gaat.
Na een tijdje klimmen we een stukje een steile helling op (het gaat hier over korte afstand van 1000 naar 1600 meter) en merken dat we alweer aan het eind van onze krachten zijn. Het is gloeiend heet. We stoppen bij een minuscuul waterstroompje en dito vlak stukje voor de tent. Een paar bomen en een klein betonnen waterreservoir zorgen ervoor dat we net niet verbranden. Als ik de tent induik omdat ik gek word van de vele (steek)vliegen en even rustig een tukje wil doen, voelt het aan als een sauna en badend in het zweet word ik weer wakker.
Ik kook veel water, het heeft in de zakken in de zon gelegen en is al zo heet (een graad of 50 schat ik) dat het snel kookt en ik zet de pan in het beekje om wat af te koelen. Het blijft lauw.
Eindelijk schuiven er weer bergtoppen voor de zon en samen met de vele liters water die we hebben gedronken voelen we ons een stuk beter. Een meter of tien bij ons vandaan staat lange tijd een hondje naar ons te keffen. Negeren helpt niet en we proberen het te lokken. Meter voor meter op zijn buik, staart tussen de poten (die moet al veel schoppen te verduren hebben gehad), schuifelt het naar ons toe. Als het merkt dat wij niet gevaarlijk zijn gaat het naast Bertie liggen en laat zich een tijdje aaien. Dan verdwijnt het om ons verder niet meer lastig te vallen.
We slapen scheef, maar redelijk goed.

Verder met de klim. Het pad zigzagt steil de Col de Barrancq op en put ons alweer volledig uit. Boven is het koud met veel wind en onze lunchpauze duurt daarom ook te kort. Nu gaat het steil naar beneden want Borce ligt op een hoogte van 650 meter.
In de buurt van de ruïne van Cabane d’Udapet rusten we weer even, maar voedsel behoefte doet ons weer verder gaan. Het is een stevige daling en over de toppen van onze grenzen lopen we Borce binnen. Geen enkele voorziening en Bertie krijgt weer een flinke inzinking. Mijn prikkelbaarheid is ook niet bevorderlijk voor een positieve inbreng, maar ik weet dat we gewoon ‘iets’ moeten bedenken.
Aan de andere kant van de kloof ligt Etsaut waar een winkel zou moeten zijn. Het is al laat, maar misschien hebben we geluk. Anders moeten we maar een slaapplek zien te vinden, onze noodvoorraad (soep met rijst) aanspreken en morgen verder zien.
Als we de brug over de Aspe overgaan lopen we een paar meter verder onder een spoorbrug door. Dit blijkt de sinds 1970 stilgelegde verbinding van Pau naar Zaragoza (Spanje) te zijn. In 1920 aangelegd met een tunnel dwars door de Pyreneeën en in februari 1939, aan het eind van de Spaanse burgeroorlog ontkwamen treinladingen vol vluchtende republikeinen over deze rails naar een opvangkamp bij Oloron. Jammer dat dit stuk geschiedenis staat te verroesten.
We gaan het spoortalud op en vinden een plekje. Snel alles onder een stuk plastic en een paar honderd meter verderop Etsaut binnen. Voor een deel hebben we geluk. Net voor het winkeltje sluit kunnen we wat eten inslaan (zelfs een flesje wijn), alleen onze shag is op (nog een beetje kruim) en die hebben ze hier niet. We weigeren de veel te dure sigaretten te kopen en gaan terug naar ‘onze’ camping.
Na het eten, met een bekertje wijn en een laatste gezamenlijk shagje, filosoferen we over de (on)mogelijkheden. Verder de GR volgen gaat niet. Als we dit ooit willen zal het anders moeten. Nadenken over voedzamer eten wat we mee kunnen dragen, een oplossing zoeken voor het waterprobleem, trouwens halen we het volgende dorp waar een verbinding is met de ‘buitenwereld’ in de paar dagen die ons resten niet meer.
Een leuk alternatief lijkt nog even de oude spoorbaan te volgen naar Bédous. Een sterke zaklantaarn voor in de tunnels moeten ze in het dorp wel hebben. Omdat Bertie sinds die picknickplaats soms koorts en een flinke hoofdpijn heeft laten we dit idee ook varen en besluiten morgenochtend met de bus naar Oloron te gaan. We hebben nu echt dringend wat geld nodig en vandaar kunnen we de trein terug nemen naar Bayonne.

Bij het oude stationnetje, wat bescheten wordt verbouwd met veel beton (‘NON AU BETON’ staat een stukje verderop met zwarte verf op een elektriciteitshuisje geschilderd) en halogeen verlichting, wachten we op de bus. Bijna rijdt die voorbij (zeker niet verwacht dat hier iemand staat) en ziet nog net mijn gezwaai. Als we naar Oloron rijden betrap ik me erop verlangend naar de oude spoorbaan te kijken die ik steeds weer zie opduiken langs de hellingen en door de dorpjes. Ik weet dat het even genoeg is geweest. We hebben heel veel moois gezien en beleeft, maar er zit teveel tegen om het nog leuk te laten zijn.
Als we aankomen op het station van Oloron blijkt de staking nog steeds voort te duren en staat een man de roepen dat er een bus klaarstaat naar Pau. We springen er maar in en het berooft ons van de laatste Euro’s.
In Pau gaat wel een trein naar Bayonne, maar pas veel later en dat is maar goed ook want we moeten op geldautomatenjacht. Bertie blijft achter op een bank in een park tegenover het station met de rugzakken, het gaat echt niet goed met haar.
Eerst loop ik de verkeerde kant op (er staat zelfs geen bordje hoe je in het centrum komt), veel kantoren, een casino en nog veel meer onzin, maar geen bank of winkel. Ik kom pas achter mijn vergissing als ik bijna Pau uitloop. Terug dus in de hete zon. Bertie ziet mij weer aan de andere kant van het park voorbij gaan. Dan ga ik de andere kant op en blijk meer geluk te hebben. Na een paar kilometer en wat gezoek vind ik eindelijk een winkelstraat en, voorzien van wat nieuwe Euro’s en een notenbrood, ga ik naar het station terug. Nog ruim op tijd.
In Bayonne willen we niet voor een tweede keer op het rangeerterrein slapen en als we een bushokje opzoeken met een lijnenkaart zien we dat er een bus rijdt naar een camping aan de kust. Weliswaar moeten we dan om zes uur opstaan om de trein te halen (we hebben al besloten om een paar dagen eerder naar huis terug te gaan), maar we kunnen dan tenminste ook nog even douchen om fris de treinreis te beginnen.
De buschauffeur is er één van een bijna uitgestorven ras, namelijk aardig, vriendelijk en zeer behulpzaam. Geduldig legt hij me in drie talen (Frans, Engels en Spaans) uit dat ik het gekochte kaartje af moet stempelen en als we na een uur rijden uit willen stappen omdat we denken er te zijn legt hij uit dat we dan over een heuvel moeten klimmen en beter nog een halte verder mee kunnen. Daar tekent hij nauwgezet een route die we moeten lopen om op de camping te komen. Blijkbaar zijn de passagiers van hetzelfde ras want niemand protesteert over de paar minuten die dit in beslag neemt.
Aangekomen slaat de schrik ons om het hart. Propvol campers, caravans, bungalowtenten, surfplanken, luidruchtige mensen, loltrappers en een keurig genummerd plekje waar we ons tentje neer mogen zetten voor máár achttien Euro voor één nacht.
De hevig verlangde douche is maar net aan warm en bevind zich in een hokje waarin ik me met ingehouden adem net kan omdraaien. Dikkere mensen hebben hier pech, die kunnen niet douchen of komen klem te zitten.
Door het lawaai de hele nacht door slapen we weer miserabel, het rangeerterrein was beter geweest.

Met de bus terug naar het station rijden we een halte te ver mee en moeten een stuk terug lopen, maar net op tijd springen we op de TGV naar Parijs. Er zijn vrije plaatsen genoeg en de plek die we uitgezocht hebben blijkt niet besproken te zijn want we kunnen daar tot Parijs blijven zitten.
Dan gaat het natuurlijk weer eens mis. Het is me wel bekend dat je het kaartje van de Thalys alleen kunt gebruiken op de besproken dag, maar ziek als Bertie toch wel is moet daar een uitzondering voor zijn.
Voor de zekerheid vraag ik het aan de steward die bij de deuropening staat om de plaatsen aan te wijzen. Geen probleem, lege plaatsen genoeg. Opgelucht gaan we zitten en weer worden we niet gestoord wegens een besproken plek.
Maar dan komt de controle. Een Belgische conductrice weigert haar hand over haar hart (als ze dat heeft tenminste) te strijken en zegt dat we een nieuw (duur) kaartje moeten kopen. We hebben gewoon geen 170 Euro meer om dat te betalen (de €60 van het andere kaartje zijn we gewoon kwijt) en ze haalt er een Nederlandse conducteur bij. Ik zie aan zijn ogen dat die wel een hart heeft, maar in haar aanwezigheid niet anders durft beslissen. We moeten een kaartje kopen tot Brussel (dat hebben we nog net en later vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als we ook daarvoor geen geld genoeg meer hadden, word je dan uit de rijdende Thalys gegooid) en daar verder met een ‘gewone’ trein. We gaan nooit meer met de Thalys, desnoods maar een omweg.
Het is al avond als we in Brussel staan. Er is gelukkig een grenswisselkantoor waar we geld kunnen opnemen voor een kaartje en de trein naar Rotterdam nog halen en vol van tegengestelde emoties thuis aankomen.
Kortom lopen is pure ellende. Met de kerst maar een camping in Bayonne of aan de Costa del Sol bespreken voor volgend jaar en me opgeven bij een fitnessclub voor de broodnodige beweging. Voor de rest kijken we dan wel natuurfilms op tv.
Nee hoor, het moet anders dat wel . Meer rekening houden met onze leeftijd, de longproblemen van Bertie, het gewicht van onze rugzakken, maar we weten allebei:

Lopend leren leven
is leven beleven.

Dit schrijfblok-verhaal maakt deel uit van de bundel Lopende Levensberichten II van John Vangelis. Kijk op zijn site voor meer verhalen van zijn hand.

Voetnoten
  1. Titel: Kloof Gorges d'Holzarté
  2. kosmos, in de Griekse filosofie de opvatting van de wereld als een schoon en geordend geheel, waarin de mens in harmonie dient te leven.
  3. Aardschijf. Titel: Pas de L'Osque
  4. …Op een lage pas staat een kleine cairn, bekroond met stokken en lappen, aan de oostzijde is een opening voor offers: de repen stof of windgebeden brengen geluk aan diegenen die de pas voor het eerst overgaan. Misschien omdat wij de cairn negeren, begroeten de berggoden ons met een hagelbui…We wachten. Tukten (een Sherpadrager) die een uur op ons achter is, maar een goed half uur voor op de rest, wordt voor zijn moeite uitgefoeterd door GS (expeditieleider) als vertegenwoordiger van het loden voeten dragersras. Langzaam zet hij de last (naast zijn eigen voedsel en dekens zo’n 40 kilo) neer die hij 600 meter de berg heeft opgesjouwd, terwijl hij GS aankijkt op dezelfde gelijkmoedige manier waarmee hij alles bekijkt: dan dankt voor zijn aankomst op de pas met het plaatsen van een kleine steen op de cairn…
    (Uit: ‘De sneeuwluipaard’ door Peter Matthiessen)

Hiking-site.nl op Twitter




Share/Bookmark
homezoeken op deze sitetop van de pagina
Vertel vrienden over deze pagina

Laatste wijziging: 04-11-2017

Hiking-site.nl is een site voor actieve buitensporters, wandelaars en hikers die op zoek zijn naar informatie over materiaal, routes, navigatie, EHBO, tips en tricks, avontuur, wandelen, outdoor en buitensporten. Nieuw op deze site?
Lees dan eerst eens rustig deze pagina met informatie over Hiking-site.nl!
[home] [linken naar Hiking-site.nl] [adverteren op Hiking-site.nl]