foto In het schrijfblok komt telkens een nieuw (reis)verhaal over de belevenissen van bezoekers van de site. Ook jij kunt jouw verhaal insturen voor publicatie.

De tovenaar van onderweg
Wandelavonturen van twee pelgrims en een hond

Het dorp Villafranca del Bierzo is al duizend jaar een pleisterplaats voor pelgrims die vanuit Frankrijk naar Santiago de Compostela reizen. Het ligt tussen twee steile bergwanden die sprankelen van herfstkleuren. Moe van een dag lopen in een onherbergzaam gebied doen we onze rugzakken af om even de schouders te ontlasten. De hele dag zijn we niemand tegen gekomen, op een paar uitgemergelde honden na. Ik veeg het zweet uit mijn wenkbrauwen en zie dan pas dat verderop tegen de muur van een vervallen gebouw de stok van een pelgrim geleund staat. In de deuropening staat een man gekleed in een groezelige overall die ooit blauw was. Hij duwt zijn petje iets naar achteren en wenkt ons. Wij lopen naar hem toe en hij glimlacht:
'Welkom, ik ben Señor Jato, welkom in mijn herberg.'
We eten gezamenlijk met een paar medewandelaars. Señora Jato maakt een echt maal voor buitensporters: gebakken eieren en grote brokken vlees. Na het eten gaat het licht uit en in de vage schemering pakt señor Jato een ijzeren kom waarin hij uit een grote mandfles pure alcohol schenkt. Hij pakt een paar andere flessen en gooit zo wat geheimen in de kom en steekt de vloeistof aan. De gezichten van de pelgrims rond de tafel lichten blauwig op in het schijnsel. Met een pollepel roert hij de brandende drank terwijl hij steeds maar eenzelfde onverstaanbare zin fluistert. Dan is hij stil en brengt een pollepel vol met brandende vloeistof omhoog en laat de vlammen van grote hoogte weer in de kom vallen. De gezichten van de pelgrims om mij heen zijn net te herkennen in de gloed. De vlammen vallen door de lucht en maken contact met de vlammen in de kom. Gehypnotiseerd staar ik naar het vallende vuur, de vlammen nemen de vorm aan van onze reis, van een zonnige dag in het zuiden van Frankrijk een paar weken geleden…

Foto: Arjen Ligtvoet

Kloosterleven
Een politiebusje rijdt langzaam voorbij en stopt een paar meter voor ons in de berm. Een wat oudere agent stapt uit, in zijn mondhoek bungelt een gedoofde sigarettenpeuk. Hij snauwt dat hij onze paspoorten wil zien. Om diefstal te voorkomen zitten de paspoorten in een schouderholster onder onze kleren waardoor het een heel gedoe is om ze te pakken, zeker bij zweterig weer. Met de paspoorten in zijn hand loopt de agent terug naar de politiebus. Even later stapt een jonge agent uit die licht hinkend naar ons toe loopt. 'Jullie zijn zeker op weg naar Santiago de Compostela. God, wat zou ik dat graag willen doen. Helaas is mijn knie zo slecht dat ik het nooit zou halen... zeg weten jullie dat er verderop een klooster is met heel vriendelijke broeders?'
Hij haalt een gedetailleerde kaart uit de bus en legt ons een mooie route uit.
Zo komt het dat we nu in een piepklein dorpje zitten, in een klooster met zes monniken. We kunnen hier zelfs een rustdag houden. Uit respect en interesse hebben we net het avondgebed in een kapel uit de elfde eeuw meegemaakt. Dat was nogal merkwaardig, een monnik is ook maar een mens en er kan hem natuurlijk wel eens wat ontschieten, maar dat er één vrijwel continu winden laat en een ander luidruchtig aan het boeren is, dat verwacht je toch niet van monniken tijdens een dienst. In het gastenhuis woont ook een zigeunerfamilie die een paar maanden per jaar klussen doen voor het klooster. 's Avonds vertellen ze ons waarom de broeders af en toe wat merkwaardig overkomen: ze zijn ziek en vaak mentaal wat zwak en kunnen hier in alle rust hun einde afwachten.
Na twee nachten slapen in een echt bed is het tijd om verder te lopen. Eén van de monniken loopt mee tot de rand van het dorp en stopt een papiertje in mijn hand.
'Daar staat het adres op van een klooster verderop, daar zijn jullie ook welkom.'
Met een laatste zwaai van een arm draait hij zich om en loopt terug. Ik vouw het papiertje in mijn hand open en inderdaad staat aan de binnenkant een adres geschreven, tezamen met een briefje van honderd franc.

Het adres blijkt te horen bij een piepklein nonnenklooster dat zich midden tussen glooiende akkers bevindt. We zijn van harte welkom om onze tent in de tuin op te zetten en om het avondgebed bij te wonen, ook al zijn we niet katholiek.
'Dat maakt niet uit,' zegt één van de zes nonnen die hier wonen, 'we zijn immers allemaal broeders en zusters.'
De oudste non is al behoorlijk aan het dementeren en klappert tijdens het gebed voortdurend met haar kunstgebit. De jongste non, zuster Marie Dominique, is een blonde stoot van een jaar of vijfentwintig en een lengte van minstens één meter tachtig. Cathelijne is diep onder de indruk dat zo een meid al ruim acht jaar in het klooster zit. Wat 'bezielt' zo iemand? Wat zullen haar mannelijke klasgenoten acht jaar geleden hebben gebaald.
Na het gebed lopen we terug naar de tent. Het is windstil en alle geluid van de akkers om ons heen wordt opgezogen door een grondmist. Zelfs Jonas maakt geen enkel geluid en dat is merkwaardig want hij begroet ons altijd uitbundig zodra hij ons hoort aankomen. Ik rits de tent open en vind de oorzaak van Jonas' zwijgen in kleine stukjes verspreid in de voortent: de verpakking van een geitenkaasje en het touwtje van een overheerlijke droge salamiworst waar ik me ontzettend op had verheugd. Jonas ligt schuldbewust met zijn pootjes omhoog in de binnentent.

Het beeld van Frankrijk vervaagt, de laatste vlammende sliert valt in de ijzeren kom van Señor Jato en ik ben terug in het nu. Nauwelijks kan ik de gezichten van de medereizigers om mij heen onderscheiden. Iedereen staart intens naar het vuur, verzwolgen door zijn eigen gedachten. Señor Jato roert en giet opnieuw. De brandende drank klatert neer als de stortregens die we zo vaak hebben getrotseerd, de brandende drank neemt mij mee…

Foto: Arjen Ligtvoet

Omgekeerde vooruitgang
Na een korte periode van droog en zonnig weer is de regentijd aangebroken, zelfs onze poncho's zijn niet bestand tegen een hele dag lopen in hoosbuien. Doorweekt bereiken we Lourdes en hopen in dit katholieke bolwerk een overnachtingsplaats te vinden. We lopen langs de heilige plek waar Maria verscheen aan het eenvoudig boerenmeisje Bernadette.
Lourdes, veel mensen zullen er troost of bescherming zoeken en gezien de vele gezichten in extase ook vinden. Tientallen gelovigen, voornamelijk grijze dames, verdringen zich bij de kranen met heilig water. Achter de bron vertelt een lichtbak in zes talen wat de Lourdespelgrim geacht wordt te doen: kus de grond, drink het water… Even verderop bij de grot laten geknielde mensen hun tranen de vrije loop.
We zijn moe, nat en hongerig en kunnen helaas niet genieten van het spektakel hier. Na meer dan een uur zoeken is het nog niet gelukt om onderdak te vinden via één van de vele religieuze instellingen. Onze hond Jonas is nergens welkom. Gelukkig horen we van een voorbijganger dat er aan de rand van de stad een camping is.
Nog net voordat we de stadsgrens passeren komt een jongen op een scooter aangereden. Hij stapt af en zegt in goed Engels:
'Hallo, ik ben Gilles en ik zou graag een foto maken van die hond van jullie.'
Heel toevallig heeft Gilles een caravan in zijn tuin staan waar we kunnen overnachten.
'Ik woon wel iets buiten Lourdes, dus jullie moeten nog een stukje lopen.'
Na twee uur lopen zijn we nog steeds niet aangekomen op de afgesproken plek. Gilles heeft duidelijk de snelheid van gemotoriseerd vervoer in zijn hoofd. De weg stijgt continu en tot overmaat van ramp blijft het hard regenen en spetteren niets onziende vrachtwagens ons voortdurend nat. Eindelijk komen we in Geu, de woonplaats van Gilles. Doorweekt wachten we in een bushokje tot Gilles van zijn werk komt. Op een zware crossmotor komt hij aangestoven. Helaas, we zijn er nog niet. Hij wijs met zijn arm heel stijl omhoog:
'Daar op die berg, daar woon ik.'
Na een kwartier zwoegen begroet een schaap ons en even later komen twee geiten nieuwsgierig aan onze rugzak sabbelen. We ontdekken de caravan, een oude Kip, inclusief Nederlands nummerbord. Naast de Kip staan twee bouwvallen. De geiten rennen door de opening van de meest krakkemikkige van de twee en wij vluchten de andere in. Dit was ooit het huis van de betovergrootvader van Gilles. Na de tweede wereldoorlog is het onbewoond geraakt en kortgeleden trok Gilles erin. Hij is maanden bezig geweest met puin ruimen en het enigszins leefbaar maken.
Door de regen hebben we overdag niet goed voor onszelf gezorgd. Onze gastheer steekt de haard aan en in de gloed van het vuur beginnen we ons langzaam weer mens te voelen. Hij schenkt grote glazen Pastis in, de alcohol verwarmt de binnenkant van mijn lichaam.

Gilles is zeer bedreven in het koken op een haardvuur, hij bereidt pasta met groenten uit eigen tuin. Dit zou zo ongeveer het ideaal van Cathelijne moeten zijn. Helaas, ze voelt zich duidelijk niet op haar gemak, temeer omdat haar gastheer aardig onder invloed van drank en zelfgekweekte weed begint te raken. Cathelijne gaat alvast naar de caravan en ik blijf samen met Gilles wijn innemen en schapenkaas eten.
'Ik leef van Lourdes,' vertrouwt Gilles mij toe, 'ik fotografeer groepen pelgrims en verkoop de foto's dan aan de groepsleden. Italianen en Spanjaarden zijn de beste afnemers. Duitsers en vooral Nederlanders… onbegonnen werk…'
We drinken door tot diep in de nacht en spelen backgammon bij het licht van een gaslamp. Electriciteit en stromend water zijn hier niet. Niet uit een kraan, wel is het dak op tientallen plekken lek en moeten we regelmatig naar zolder om emmers en bakjes te legen die het regenwater opvangen.
In het huis van Gilles is sprake van omgekeerde vooruitgang: op de deurposten zitten schakelaars en lampfittingen hangen nog aan het plafond. Vroeger was het hier modern, met electrisch licht en verwarming. De gaslamp sputtert en langzaam verdwijnt het licht.

De pollepel is leeg, alleen uit de kom komt nog een vage gloed. Señor Jato kijkt me aan en glimlacht flauwtjes. Hij roert en giet. Buiten klinkt het melancholieke roepen van een uil. De vlammen in de ijzeren kom zijn niet hoog, niet helder. Het lijken vlammen die schaduwen uitstralen, donker vuur, het zwarte licht. Nacht.

Foto: Arjen Ligtvoet

Smokkeltocht
Het alarm van mijn horloge gaat om twee uur 's nachts af. Binnen het uur pakken we alles in, geholpen door het flauwe schijnsel van een lantaarnpaal verderop naast een pelgrimskerk aan het begin van een duizend jaar oude route over de Pyreneeën. Op de kerk hangt het bemoedigende bordje Santiago de Compostela: 911 kilometer. Het is drie uur 's nachts en we lopen het beroemdste bergdorp van de Pyreneeën, Gavarnie, uit. Voor Lourdesgangers is een dagtocht naar het Circque de Gavarnie één van de bekendste uitjes. Nu zien we alleen een vage donkere massa, maar gisteren was het inderdaad schitterend. In de ondergaande zon lag de bergarena er hoog, woest en besneeuwd bij.
We verlaten het dorp en de laatste straatlantaarn. Alles is even donker, op de heldere sterrenhemel na. We moeten bijna duizend meter klimmen in het donker om Spanje in te lopen via de bijna 2300 meter hoge bergpas Puerto de Bugaruelo. Dat we in het donker lopen is de schuld van Jonas. Hij is niet toegestaan in het nationale park van de Pyreneeën en daar kwamen we pas gisteren achter. Het park is hier slechts een strook van een paar kilometer breed, maar ondanks dat verboden voor honden. Om eventuele controles te ontlopen gaan we de grens 's nachts over. We hebben eigenlijk geen keus, een ander pas nemen betekent dagenlang omlopen.
Als smokkelaars in de nacht lopen we Gavarnie uit. Het is te donker om zonder licht de weg te zien; de eerste vijf minuten schijn ik bij met de zaklamp, daarna zijn onze ogen voldoende gewend aan het donker en is het asfalt van de weg te onderscheiden als een schimmige streep in het duister. Bijgelicht door tientallen vallende sterren lopen we flink door om warm te blijven. De weg stijgt en kronkelt zich met haarspeldbochten omhoog. Bij de bochten lijkt de weg ineens in het niets te verdwijnen, elke keer schrikken we weer. Pas vlak voor de bocht zien we waar de weg heen gaat. Na twee uur lopen passeren we de grens van het nationale park. Tot nog toe zijn wij de enigen op de berg. Plotseling verlicht een enorme meteoriet een fractie van een seconde alles om ons heen, als een soort langgerekte bliksemflits. Het lijkt alsof ik hem hoor knetteren. Secondenlang blijft een lichtspoor in de hemel staan.
We nemen een korte rustpauze en kijken om ons heen naar de sterren en de lichtjes van Gavarnie in de diepte. Een schijnsel slingert de berg op en wordt langzaam helderder. Is het een nachtelijke controle? Misschien surveilleren hier grenswachten. Even later rijden twee burgerauto's ons voorbij, het zijn vast toeristen die de zon willen zien opkomen in de bergen.
Na een laatste slinger komen we uit op een kleine vlakte met een stuk of vijf geparkeerde auto's. Even verderop staat een bord met de mededeling dat de rest van de pas gesloten is. We nemen aan dat dit verbod alleen voor auto's geldt. Even verderop wordt duidelijk wat er aan de hand is: de hele weg ligt bezaaid met grote keien die van een steile puinhelling zijn afgerold. Links van ons is een bodemloze afgrond; als ik met de zaklamp naar beneden schijn verdwijnt de lichtbundel in het niets. Vóór ons loopt, te zien aan de hoeveelheid lichtbundels, een flinke groep mensen. Een paar honderd meter verder houdt de weg op en arriveren we op een grote grindvlakte met aan beide kanten een steile bergwand. Een groep bergklimmers voert de laatste controle op hun uitrusting uit voordat ze aan de klim naar een van de pieken van het Cirque de Gavarnie beginnen.
'Is het nog ver naar Spanje?' vraag ik aan een man met een volle baard.
Hij kijkt me lachend aan en wijst naar een hoop stenen even verderop.
'Nee, niet echt, ongeveer vijf meter!'
Aan de Spaanse kant is geen weg maar slechts een zeer steil pad, veel te gevaarlijk in het donker. We zullen moeten wachten tot het licht wordt. We maken ons bed op en kruipen de slaapzak in. Jonas gaat rillend tegen ons aan liggen. Normaal gesproken mag hij niet op bed, maar vanwege de kou maken we een uitzondering.
Bij het eerste licht van de nieuwe dag, iets over achten, gaan we verder. Eerst trekken we vrijwel al onze kleren aan, we hebben zelfs onze muts en handschoenen nodig om warm te blijven. Het lijkt hier wel winter. Dan begint een urenlange steile afdaling naar een aangename nazomer in het dal.

De vlammen zijn nog maar heel klein, señor Jato roert en giet een flesje van het een of ander leeg in de stalen kom en roert nogmaals. Langzaam klimmen de vlammen omhoog en schept hij de pollepel vol en giet. De heldere vlammen doen bijna pijn aan mijn ogen, net als de schijnwerpers van een politieauto midden in de nacht ergens in een Noord-Spaans dorpje…

Foto: Arjen Ligtvoet

Guardia Civil
Vandaag zijn we precies vijf maanden onderweg. Het lijkt een eeuwigheid en toch kan ik alle details van ons vertrek nog herinneren alsof het gisteren was. Af en toe lijkt het ons heerlijk om thuis op de bank voor de televisie te kunnen hangen en dan even om de hoek een frietje met en een frikadel speciaal te halen. Dat is de paradox van het reizen: onderweg verlang je naar thuis en als je thuis bent verlang je weer naar het onderweg zijn.
We zitten onder een afdakje voor de sportschool van Navarrete, een kleine provinciestad. Jonas was niet welkom in de pelgrimsherberg. De herbergier stelde nog voor om hem 's nachts maar op straat te laten zwerven. Zo gaat de Spanjaard misschien met zijn hond om, maar wij kijken daar toch anders tegenaan. Vandaar dat we zijn uitgeweken naar deze plek in de buitenlucht. Door de zachte bries brandt onze kaars snel op en maakt het kaarsvet artistieke druipers.
's Nachts wekt het geluid van een auto mij. Over het sportterrein rijdt een auto met blauwe zwaailichten. Even verderop keert de politieauto en al snel zijn we gevangen in het felle zoeklicht. De auto stopt een meter of tien van ons vandaan met alle lichten vol op ons gericht, Twee schimmen in menselijke gedaante komen in een halo van licht op ons af. Iets dichterbij zie ik dat het twee leden van de paramilitaire Guardia Civil zijn die ons zelfverzekerd bekijken op een afstandje van een paar meter. De een iets achter de ander, voor het geval dat we ineens een machinegeweer uit onze slaapzak tevoorschijn zouden halen. Ze dragen groene legeruniformen en zien er angstaanjagend uit. De Guardia Civil heeft dan ook een niet al te beste reputatie, ten tijde van de Franco-dictatuur schenen de leden graag te martelen en in 1983 heeft deze paramilitaire organisatie nog geprobeerd de macht te grijpen in een mislukte staatsgreep.
De voorste knikt met zijn hoofd en vraagt:
'Jullie zijn zeker pelgrims?'
'Jazeker,' antwoord ik, 'we zijn op weg naar Santiago.'
'Waarom slapen jullie dan niet in de pelgrimsherberg? Was er geen plaats of zo?'
'We mochten er niet in met onze hond en waren te moe om verder te lopen.'
'Oké, hasta luego.'
Ze lopen terug naar hun auto en verdwijnen weer als schimmen naar het licht.

Deze keer zie ik ons zitten in de gloed van het vuur. Het is alsof de vallende vlammen ons reflecteren. Het vuur is bijna uit, we zijn in het nu aangekomen.
Señor Jato glimlacht en schept de pollepel voor de laatste keer vol en brengt hem met een theatraal gebaar omhoog. Ik houd mijn adem in. Heel langzaam kantelt hij de lepel en vallen de vlammen terug in de blauwe gloed. Het zijn vlammen van de toekomst.
De pollepel is leeg, alleen uit de kom komt nog een vaag schijnsel. Señor Jato kijkt me aan en glimlacht flauwtjes. Vanmiddag vertelde hij nog het belangrijkste Galicische gezegde: ik geloof niet in heksen, maar ze bestaan wel.
Hij is het levende bewijs.

Arjen Ligtvoet
arjen@globeloper.com
www.globeloper.com


Hiking-site.nl op Twitter




Share/Bookmark
homezoeken op deze sitetop van de pagina
Vertel vrienden over deze pagina

Laatste wijziging: 04-11-2017

Hiking-site.nl is een site voor actieve buitensporters, wandelaars en hikers die op zoek zijn naar informatie over materiaal, routes, navigatie, EHBO, tips en tricks, avontuur, wandelen, outdoor en buitensporten. Nieuw op deze site?
Lees dan eerst eens rustig deze pagina met informatie over Hiking-site.nl!
[home] [linken naar Hiking-site.nl] [adverteren op Hiking-site.nl]